Rechtspraak
Feiten
Werknemer is op 9 oktober 2014 bij het uitzendbureau van werkgever gestart. Per 1 juli 2016 had werknemer een fase 3-contract. Gedurende zijn dienstverband heeft werknemer bij verschillende opdrachtgevers gewerkt. In mei 2020 heeft werkgever gevraagd of werknemer bereid was om bij opdrachtgever AB Clean in Velsen-Noord aan de slag te gaan vanaf 1 juli 2020. Aanvankelijk verklaarde werknemer zich daartoe bereid. Toen hem formeel een aanbod werd gedaan heeft hij dit echter afgewezen. Werkgever heeft op 29 mei 2020 het einde van de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2020 aangezegd. Werknemer verzoekt de kantonrechter om zijn werkgever te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding.
Oordeel
Voor het antwoord op de vraag of werkgever een transitievergoeding moet betalen is van belang op wiens initiatief er een einde is gekomen aan het dienstverband. Dat werkgever aan werknemer een aanbod heeft gedaan om vanaf 1 juli 2020 bij een opdrachtgever aan de slag te gaan is niet in geschil. Het standpunt van werknemer dat dit aanbod onredelijk zou zijn – vanwege de reisafstand van 150 kilometer – volgt de kantonrechter niet. Daaraan legt de kantonrechter ten grondslag dat werkgever heeft aangevoerd dat de plaatsing slechts tijdelijk was, dat werknemer tegemoet zou worden gekomen door voor hem op kosten van de zaak verblijf te regelen in de omgeving van de opdrachtgever en dat werknemer eerder al bij deze opdrachtgever heeft gewerkt onder dezezelfde voorwaarden. Aldus is sprake van een redelijk aanbod tot verlenging. Van ernstig verwijtbaar handelen door werkgever is geen sprake. De stelling van werknemer dat werkgever hem verplichtte om uren op te sparen, wordt door werkgever betwist. Ook de stelling dat werknemer voor de werkzaamheden in Velsen-Noord opnieuw een contract zou krijgen voor bepaalde tijd, wordt door werkgever betwist en is door werknemer verder niet onderbouwd. De kantonrechter wijst het verzoek om transitievergoeding dan ook af.