Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Hoge Raad, 18 december 2020
ECLI:NL:HR:2020:2088
Factureren op naam van eigen onderneming in plaats van die van werkgever levert geen dringende reden op, wel verwijtbaar gedrag.

Feiten

Werknemer heeft in de eerste helft van 2015 een recyclingbedrijf verkocht. Op 1 juli 2015 is werknemer op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden van de koper van het bedrijf, werkgeefster. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat indien de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd op verzoek van werkgever en de rechter oordeelt dat dit niet verwijtbaar is aan werknemer, het salaris en de bonus in zijn geheel tot de AOW-gerechtigde leeftijd verschuldigd zal zijn. Verder is er een geheimhoudingsverplichting, een verbod op nevenwerkzaamheden en een concurrentiebeding opgenomen (art. 6 van de arbeidsovereenkomst). Omdat de omzet achterbleef, heeft werkgeefster een recherchebureau opdracht gegeven om een onderzoek in te stellen naar de handelwijze van werknemer. In het rapport is opgenomen dat er discrepanties zijn geconstateerd tussen het door werknemer opgegeven aantal transacties en het aantal transacties waarvan uit camerabeelden blijkt dat die zijn gemaakt. Vervolgens heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen partijen. Aan het einde van dat gesprek is aan werknemer ontslag op staande voet aangezegd. Het ontslag is per brief bevestigd. De reden die daaraan ten grondslag is gelegd is: diefstal en/of verduistering en/of overtreding van artikel 6 lid 1, 2 of 3 van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet afgewezen. In hoger beroep heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de beschikking vernietigd en werkgeefster veroordeeld om € 122.000 aan werknemer te voldoen. Volgens het hof hadden beide partijen verwijtbaar gehandeld, zodat een deel van de verschuldigde contractuele vergoeding moest worden nagekomen. In cassatie heeft de Hoge Raad overwogen dat terecht is geklaagd over de afwijzing door het hof Arnhem-Leeuwarden om over het verzoek van werkgeefster een nadere mondelinge behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer van het hof te bepalen. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar het hof ’s-Hertogenbosch. Dit hof heeft het ontslag op staande voet nietig geoordeeld. Aan werknemer is een billijke vergoeding van € 22.000 toegekend, waarbij rekening is gehouden met een mogelijke ontbinding op de e-grond. Ten aanzien van de vergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst (art. 2 lid 4) oordeelde het hof dat, gezien de uitkomst van de procedure, de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verwijtbaar is aan werknemer. Werkgeefster is dan ook niet het door werknemer verzochte salaris en de bonus tot aan zijn AOW-gerechtigde leeftijd verschuldigd.

Conclusie A-G (Lückers)

In cassatie wordt met name geklaagd over het oordeel dat werknemer een ‘verwijt’ valt te maken van het ontslag en bijgevolg geen aanspraak kan maken op de contractuele vergoedingen. Volgens werknemer is het oordeel van het hof onbegripelijk dan wel innerlijk tegenstrijdig door te oordelen dat geen sprake is van een dringende reden, maar wel van verwijtbaarheid. De A-G concludeert dat beide hoven op dit punt hebben geoordeeld dat werknemer wel degelijk een verwijt valt te maken door facturen te sturen op naam van zijn voormalige bedrijf ten bate van werknemer zelf, zonder hierover onmiddellijk duidelijkheid te verschaffen. Dat het ontslag op staande voet een dringende reden ontbeerde, lag aan de persoonlijke omstandigheden alsmede het onvoldoende doen van onderzoek van de werkgever. Wat de uitlegkwestie van artikel 2 lid 4 betreft, merkt de A-G op dat het verwijzingshof op dit punt vrijheid toekwam een eigen oordeel te vellen dat overigens slechts gradueel afweek van dat van het eerste hof (de mate van verwijtbaarheid). 

Oordeel

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie).