Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 17 februari 2021
ECLI:NL:RBOBR:2021:604
Feiten
Stichting Bijzonder Jeugdwerk (hierna: BJ) is een organisatie die hulp biedt aan gezinnen en jongeren met complexe gedragsproblemen. Werknemer is op 1 mei 2009 bij BJ in dienst getreden in de functie van jongerenwerker B. Bij e-mail van 15 maart 2020 heeft de partner van werknemer BJ bericht dat werknemer op 10 maart 2020 is aangehouden en als verdachte is aangemerkt in een strafrechtelijk onderzoek. Bij brief van 16 maart 2020 heeft BJ werknemer medegedeeld dat de loondoorbetaling met terugwerkende kracht tot 11 maart 2020 wordt gestaakt omdat hij, als gevolg van het feit dat hij in voorarrest zit, de overeengekomen werkzaamheden niet kan verrichten. Op 29 september 2020 is werknemer veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar voor het plegen van zware mishandeling en het medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven. In deze procedure verzoekt BJ zo spoedig mogelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de h-grond, zonder toekenning van de transitievergoeding.
Oordeel
De kantonrechter overweegt allereerst dat detentie van een werknemer niet in alle gevallen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst hoeft te leiden. De kantonrechter is daarentegen van oordeel dat de onderhavige omstandigheden van de detentie van werknemer een ontbinding van de arbeidsovereenkomst met BJ rechtvaardigen. Ten eerste is van belang dat werknemer op 29 september 2020 is veroordeeld voor ernstige strafbare feiten waarvoor hem een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren is opgelegd. Dit betekent dat hij gedurende meerdere jaren niet aan zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst kan voldoen. Hij kan zijn werkzaamheden immers niet meer uitvoeren. In onderhavige situatie waarin werknemer langdurig niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst kan voldoen, kan van BJ in beginsel in redelijkheid niet worden gevergd het dienstverband te laten voortduren. Ten tweede is van belang dat BJ vreest dat haar goede naam wordt aangetast door het handelen van haar werknemer. De kantonrechter acht die vrees gerechtvaardigd. In zijn functie van jongerenwerker spreekt werknemer jongeren aan op hun gedrag en legt hij hen uit welke gevolgen het gedrag voor henzelf en/of derden heeft. De misdrijven waarvoor werknemer veroordeeld is, passen niet bij de wijze waarop een jongerenwerker van BJ zich dient te gedragen. In deze voorbeeldfunctie dient werknemer jongeren te stimuleren om de juiste keuzes te maken, en de zware misdrijven vallen hiermee niet te rijmen. Dat de feiten waarvoor hij veroordeeld is niet arbeidsgerelateerd zijn en zich volledig in de privésfeer afgespeeld hebben, maakt dat niet anders. Het is niet realistisch aan te nemen dat werknemer niet aan geloofwaardigheid zou inboeten. Hoe dan ook straalt de veroordeling van werknemer af op zijn functie. Ten derde heeft de kantonrechter meegewogen dat werknemer voor de uitoefening van zijn functie dient te beschikken over een VOG. Concluderend is de kantonrechter van oordeel dat de door BJ aangevoerde omstandigheden een voldragen ‘h-grond’ opleveren. Herplaatsing ligt in dat geval niet in de rede omdat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer. Om dezelfde reden ziet de kantonrechter aanleiding om de datum van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen op heden te bepalen. De kantonrechter overweegt tot slot dat niet is gebleken dat het niet toekennen van een transitievergoeding gezien de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Van een relatief kleine misstap is geen sprake. Werknemer heeft ernstige geweldsmisdrijven gepleegd en daarmee bewust het risico genomen dat hij daarvoor veroordeeld zou kunnen worden. Werknemer heeft derhalve geen recht op transitievergoeding.