Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 18 maart 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:1138
Afwijzing verklaring voor recht over de urenomvang op basis van de (extra) gewerkte uren in de laatste drie maanden nu werkneemster onvoldoende heeft weersproken dat overeenstemming was bereikt over een aanvullende arbeidsovereenkomst op basis van deze urenomvang.

Feiten

Partijen hebben met ingang van 1 november 2018 een arbeidsovereenkomst gesloten, waarbij werkneemster in dienst is getreden bij de Stichting in de functie van receptioniste voor 52 uur op jaarbasis met de mogelijkheid tot oproep. De arbeidsovereenkomst is op 31 oktober 2020 van rechtswege geëindigd. Partijen zijn afgeweken van de afgesproken urenomvang door meer uren te werken, waardoor in feite sprake is van een oproepcontract. Werkneemster heeft tot het einde van de arbeidsovereenkomst het juiste salaris ontvangen, indien met de gemiddelde arbeidsomvang over het volledige dienstverband rekening wordt gehouden, wat uitkomt op 13,71 uur per week. Werkneemster heeft vanaf oktober 2019 tot 14 januari 2020 extra werk op het gebied van de financiële administratie gedaan. Werkneemster heeft daarvoor het overeengekomen salaris ontvangen over gemiddeld 30,13 uur per week. Uitgaand van het wettelijk rechtsvermoeden zou werkneemster met ingang van 1 januari 2020 aanspraak kunnen hebben op een arbeidsovereenkomst met een omvang van 30,13 uur per week. Zij heeft het daarmee overeenkomende loon vanaf februari 2020 niet uitbetaald gekregen. De Stichting verweert zich tegen het beroep op het wettelijk vermoeden door te stellen dat de vanaf oktober 2019 gewerkte periode niet representatief was. Volgens haar was er namelijk sprake van een proefperiode van drie maanden, waarna een evaluatie zou plaatsvinden en besloten zou worden over het al dan niet aanpassen van de arbeidsovereenkomst. Werkneemster vindt dat niet juist en stelt dat er in september 2019 volledige overeenstemming was over de omvang en de aard van het werk voor de financiële administratie. Ter zitting heeft zij aangevuld dat ook was afgesproken dat de arbeidsovereenkomst daarna zou worden aangepast overeenkomstig de inhoud van de arbeidsovereenkomst van haar voorgangster op de administratie. Werkneemster vordert een verklaring voor recht dat de overeengekomen arbeidsomvang over de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 augustus 2020 30,13 uur per week bedraagt.

Oordeel

De kantonrechter heeft tijdens de zitting vastgesteld dat de door werkneemster gegeven nadere toelichting niet aansluit op haar e-mailberichten aan de Stichting van 3 januari en 14 januari 2020. Daarin vraagt werkneemster namelijk niet om vastlegging van arbeidsvoorwaarden zoals die eerder al zouden zijn afgesproken. Zij maakt integendeel aanspraak op een salaris volgens salarisschaal 65 FWG, waarvan ter zitting is komen vast te staan dat haar voorgangster dat niet ontving. Uit de overgelegde correspondentie van partijen blijkt dat zij ook verschil van mening hadden over de omvang van de functie: 16 of 24 uur per week en een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd. Dat meningsverschil sluit ook niet aan op de stelling van werkneemster dat in september 2019 over de omvang al overeenstemming was bereikt. In haar e-mail van 14 januari 2020 wijst werkneemster erop dat een omvang van 24 uur per week nodig zou zijn, niet dat dit was afgesproken. Het feit dat werkneemster in januari 2020 haar werk voor de financiële administratie onmiddellijk staakte, omdat er geen overeenstemming over de arbeidsvoorwaarden werd bereikt, wijst er ook op dat werkneemster zich vrij voelde om te stoppen met het administratieve werk omdat zij hiertoe nog niet verplicht was. Dit alles maakt dat de kantonrechter van oordeel is dat werkneemster het verweer van de Stichting dat over de aanpassing van de arbeidsovereenkomst nog overeenstemming moest worden bereikt, onvoldoende heeft weersproken. De kantonrechter stelt vast dat deze overeenstemming niet is bereikt. Daarmee zijn de door werkneemster verrichte werkzaamheden voor de financiële administratie in de periode oktober 2019 tot medio januari 2020 te duiden als proefperiode die wel kunnen, maar niet hoeven te leiden tot een aanvullende arbeidsovereenkomst. Die aanvullende arbeidsovereenkomst is er ook niet gekomen, omdat werkneemster haar werkzaamheden voor de financiële administratie per 14 januari 2020 heeft gestaakt. Aan de gewerkte periode van drie maanden kan niet de conclusie worden verbonden dat deze bepalend is voor de omvang van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat voor de omvang van de arbeidsovereenkomst vanaf januari 2020 de tijdens het gehele dienstverband gewerkte uren bepalend zijn. De vordering van werkneemster die gebaseerd is op het wettelijk rechtsvermoeden voor de niet representatieve periode van oktober tot en met december 2019 wordt daarom afgewezen.