Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 11 februari 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:2570
Feiten
Werkneemster is op 7 juni 2012 via een uitzendorganisatie bij Allied Motion Dordrecht B.V. (hierna: Allied Motion) gaan werken in de functie van monteuse II. Per 20 januari 2014 heeft Allied Motion werkneemster in dienst genomen op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar. Per 20 januari 2015 hebben partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. In 2019 is een deel van de productie van Allied Motion verplaatst naar Portugal, waaronder ook de productielijn waarvoor werkneemster werkzaam was. Hierdoor is een deel van het werk van werkneemster weggevallen. Momenteel worden door werkneemster enkele deelwerkzaamheden verricht die op termijn ook getransfereerd gaan worden en werkt zij alleen de middagdienst in verband met haar gezondheid. Tijdens een gesprek met werkneemster is aangegeven dat herplaatsing in de toekomst moeilijk gaat worden. Door knieklachten kan ze moeilijk staand werk doen en alle productielijnen zullen in de toekomst staand draaien en vrijwel zeker in dagdienst. De functies van magazijnmedewerker en incoming inspector, die zijn aangedragen door een arbeidsdeskundige, zijn volgens Allied Motion niet passend. Voor incoming inspector mist werkneemster onder meer de vereiste vooropleiding en kennis van analysetechnieken en deze functie is niet vacant. Het werk in het magazijn is fysiek zwaar. Volgens Allied Motion zal het steeds moeilijker worden werkneemster aan het werk te houden en zouden haar kwaliteiten beter uit kunnen komen bij een andere werkgever, waar ze zittend werk zou kunnen doen en waar de mogelijkheid is om tussendoor even te bewegen. Allied Motion heeft werkneemster op 11 november 2020 een beëindigingsvoorstel, inclusief outplacementtraject, gedaan. Dit voorstel heeft werkneemster afgewezen. Allied Motion verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de h-grond.
Oordeel
De kantonrechter neemt aan dat Allied Motion in het belang van werkneemster heeft willen handelen door haar, sinds de verplaatsing van een deel van de productie naar Portugal, zo veel mogelijk op zittend werk in te zetten. De kantonrechter oordeelt echter dat geen sprake is van zodanige omstandigheden dat van Allied Motion in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met werkneemster te laten voortduren. Niet duidelijk is geworden of werkneemster inderdaad niet alle werkzaamheden kan verrichten die horen bij haar functie. Werkneemster heeft gesteld dat zij wel degelijk staand kan werken, ook hele dagen, en dat dagdiensten geen probleem zijn. Volgens werkneemster is het arbeidsdeskundig rapport van mei 2019 niet meer actueel. Zij is inmiddels behandeld aan haar knieën. Allied Motion heeft hier onvoldoende tegenover gesteld. Dat de bedrijfsarts in het arbeidsdeskundig rapport van mei 2019 heeft opgemerkt dat het de voorkeur heeft als werkneemster afwisselend zittend en staand werk kan verrichten, is onvoldoende om aan te nemen dat zij thans niet alle werkzaamheden kan verrichten die horen bij haar functie. De kantonrechter weegt ook mee dat werkneemster de laatste maanden een aanzienlijk deel van haar uren is ingezet in het reguliere productieproces (met staand werk). Gesteld noch gebleken is dat dit bij werkneemster tot gezondheidsproblemen heeft geleid. De enkele verwachting van Allied Motion dat werkneemster zal uitvallen als zij volledig in het reguliere productieproces wordt ingezet, is geen grond voor ontbinding. Mocht blijken dat werkneemster inderdaad beperkingen heeft die haar volledige inzet belemmeren, dan zullen de wettelijke regels over ziekte en re-integratie moeten worden gevolgd. Het verzoek tot ontbinding wordt afgewezen.