Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 16 maart 2021
ECLI:NL:RBNHO:2021:2558
Feiten
Medio maart is verzoeker met de waarnemend directeur van North B.V. in contact gekomen. Vanaf 30 maart 2020 heeft verzoeker administratieve werkzaamheden uitgevoerd voor North. Bij e-mail van 7 april 2020 heeft verzoeker de waarnemend directeur verzocht om toezending van een contract voor zijn dienstverband. In reactie hierop heeft de waarnemend directeur diezelfde dag verzoeker een ‘model opgaaf voor de loonheffing’ doorgestuurd. Verzoeker heeft deze ingevuld. Op 21 april 2020 heeft verzoeker de waarnemend directeur opnieuw verzocht om toezending van een contract. Op 22 april 2020 heeft de waarnemend directeur verzoeker bericht: “Graag je ID, dan stuur ik je deze toe”. In de daaropvolgende periode volgt correspondentie tussen partijen over de (bij herhaling) te late betalingen van North aan verzoeker. Op 30 juli 2020 heeft verzoeker de salarisspecificaties van de maand april en mei 2020 ontvangen. Bij e-mailberichten van 5 en 9 oktober 2020 verzoekt verzoeker om toezending van de salarisstroken over de maanden juni tot en met september 2020. In reactie hierop heeft de waarnemend directeur bij e-mail van 12 oktober 2020 het volgende geantwoord: “Heb je duidelijk aangegeven dat North geen personeel aanneemt, er zijn vergoedingen aan je betaald en geen salaris. North geeft alleen maar freelance opdrachten uit er is geen dienstverband”. Verzoeker heeft sinds 3 november 2020 geen werkzaamheden meer verricht voor North. Partijen twisten over de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Oordeel
Vast staat dat tussen partijen geen schriftelijke (arbeids)overeenkomst is opgesteld. Partijen verschillen van mening over wat hen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen stond. Aldus moet aan de hand van de feitelijke situatie beoordeeld worden hoe de rechtsverhouding tussen partijen moet worden gekwalificeerd. Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld blijkt dat verzoeker voor North arbeid heeft verricht (van 30 maart 2020 tot en met 3 november 2020) en een beloning heeft ontvangen (van juni 2020 tot en met oktober 2020). Ten aanzien van het meest onderscheidende element van de arbeidsovereenkomst, de ‘gezagsverhouding’, is de kantonrechter van oordeel dat verzoeker zijn stellingen, tegenover het verweer van North, onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd. Verzoeker heeft niet gesteld ten aanzien van welke aspecten van zijn werkzaamheden hij ondergeschikt zou zijn, aan welke instructies hij met betrekking tot die werkzaamheden had te voldoen, welke aanwijzingen North aan hem kon geven en welke voorschriften op zijn werkzaamheden van toepassing waren. Verzoeker heeft ook geen stukken overgelegd die een gezagsverhouding aannemelijk maken (bijvoorbeeld e-mails van de waarnemend directeur en/of andere personen binnen North met (duidelijke) instructies aan verzoeker). Verder ontstaat uit de e-mailberichten van verzoeker het beeld dat hij wel de vrijheid en flexibiliteit had om zijn werk zelf in te delen, hetgeen kenmerkend is voor het werken als zelfstandige in opdracht. Hij kon zijn werkzaamheden verrichten vanuit zijn eigen woning of tijdens een verblijf in Spanje. Ook is niet gesteld of gebleken dat hij op vaste dagen zijn werkzaamheden diende te verrichten en/of bereikbaar moest zijn voor North. De twee loonstroken en de op grond daarvan afgedragen loonbelasting en uitbetaalde vakantietoeslag wijzen weliswaar op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, maar zijn gelet op de overige hiervoor genoemde omstandigheden niet doorslaggevend. Dat in de e-mailcorrespondentie bij aanvang van de werkzaamheden is gesproken over vakantiedagen maakt het voorgaande ook niet anders omdat van het bestaan van (nadere) afspraken over het opnemen van vakantie niet is gebleken. Van een gezagsverhouding is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen onvoldoende duidelijk gebleken. Verder heeft verzoeker de door hem gestelde omstandigheid dat het geldbedrag als loon in de zin van artikel 7:610 BW moet worden beschouwd – mede gelet op de gemotiveerde betwisting van North – onvoldoende onderbouwd. De e-mailcorrespondentie van eind maart impliceert ook dat partijen hebben onderhandeld over de hoogte van de vergoeding die North aan verzoeker heeft betaald. Dit vormt ook een indicatie die duidt op een overeenkomst van opdracht. Concluderend betekent dit dat de tussen partijen overeengekomen rechten en verplichtingen niet voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Omdat tussen partijen geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, zijn de wettelijke vereisten voor beëindiging daarvan niet van toepassing. De verzoeken van verzoeker worden daarom afgewezen.