Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 8 april 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:3133
Feiten
Werknemer is op 1 augustus 2015 in dienst getreden bij SPM. De arbeidsovereenkomst is per 1 januari 2017 beëindigd. Werknemer heeft SPM gesommeerd tot betaling van achterstallig vakantiegeld, openstaande declaraties en loon over de maanden oktober en november 2016. SPM is op 14 december 2016 surseance van betaling verleend. Werknemer heeft op 3 januari 2017 een beroep gedaan op de loongarantieregeling van het UWV. Bij besluit van 17 januari 2017 heeft het UWV de betalingsverplichtingen van SPM overgenomen en diverse bedragen aan werknemer uitgekeerd. Het UWV heeft per brieven van 18 en 23 april 2019 een deel van de uitgekeerde bedragen teruggevorderd van werknemer. Werknemer heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. In de beslissing op het bezwaar van 17 oktober 2019 heeft het UWV de terugvordering ten aanzien van enkele onderdelen herzien. Werknemer vordert betaling van niet genoten vakantiedagen, niet betaalde vakantietoeslag en buitengerechtelijke incassokosten.
Oordeel
Werknemer is ontvankelijk. Dat werknemer geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van het UWV is begrijpelijk en maakt niet dat hij thans niet in zijn vordering zou kunnen worden ontvangen. Het UWV heeft een zelfstandige opdracht om vast te stellen wat de omvang van de aanspraak van de werknemer op de werkgever is. Bij het ontbreken van een (fictieve) opzegdatum voert het UWV het beleid dat de loonbetalingsverplichting wordt overgenomen over de periode van dertien weken voorafgaand aan de surseanceverlening. Vakantiegeld, vakantiebijslag en bedragen die de werkgever aan derden verschuldigd is, worden in dat geval niet overgenomen.
Vakantiebijslag en vakantiedagen
SPM heeft de verschuldigdheid van de vakantiebijslag niet betwist. Dat bedrag wordt dus toegewezen. Wat betreft de vakantiedagen gaan beide partijen uit van het totaal aantal vakantiedagen over de hele periode dat werknemer in dienst was, derhalve 35,5 dagen. Werknemer heeft niet betwist dat hij de door SPM in het geding gebrachte e-mailberichten heeft verstuurd en vrij is geweest op die dagen. Dat werknemer deze dagen op gemaakte overuren in mindering mocht brengen, is onvoldoende onderbouwd. Resteert 14 dagen. SPM heeft onvoldoende onderbouwd dat deze dagen zijn opgenomen, in plaats van dat werknemer is vrijgesteld van werkzaamheden. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 25%. De door werknemer gelegde conservatoire beslagen worden niet opgeheven.