Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 31 maart 2021
ECLI:NL:RBLIM:2021:3106
Feiten
Werknemer is met ingang van 1 april 2018 in dienst getreden van werkgeefster tegen een brutomaandloon van (laatstelijk) € 14.064,34 per maand, exclusief 13de en 14de maand (inclusief vakantietoeslag) en bonussen. Werkgeefster heeft de arbeidsovereenkomst met werknemer met ingang van 1 december 2020 opgezegd. In verband met deze opzegging heeft werkgeefster aan werknemer € 99.802,73 bruto betaald, bestaande uit een gefixeerde schadevergoeding en een transitievergoeding. Werknemer verzoekt de kantonrechter onder meer werkgeefster te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 160.500 bruto en voor recht te verklaren dat werkgeefster geen rechten meer kan ontlenen aan het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding, omdat werkgeefster ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
Oordeel
Billijke vergoeding
Niet in geschil is dat werkgeefster de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd zonder toestemming van het UWV. Dit betekent dat de kantonrechter op grond van artikel 7:681 lid 1 BW een billijke vergoeding kan toekennen. Werkgeefster heeft een beroep gedaan op de beschikking van deze rechtbank van 1 februari 2019 (zie AR 2019-0155). De vergelijking met die beschikking gaat echter niet op, omdat in die zaak vaststond dat er, na twee jaar arbeidsongeschiktheid, geen loonaanspraak meer bestond en de kantonrechter tot de slotsom was gekomen dat de werknemer geen (im)materiële schade had geleden. De kantonrechter ziet dan ook grond om aan werknemer een billijke vergoeding toe te kennen. De omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, komt de kantonrechter tot de volgende berekening van de billijke vergoeding. Het maximumdagloon bedraagt – omgerekend – € 4.858,95 bruto per maand. Uitgaande van negen maanden voor het vinden van een soortgelijke dienstbetrekking, bedraagt de inkomstenderving € 138.168,36 bruto. Werkgeefster heeft aan werknemer reeds een gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding betaald van afgerond € 100.000 bruto. De kantonrechter acht alles in overweging nemende een billijke vergoeding tot een bedrag van € 60.000 bruto op zijn plaats. Tezamen met de reeds uitgekeerde gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding, en in acht nemend dat werknemer nog niet heel lang in dienst was bij werkgeefster, acht de kantonrechter dit een toereikende compensatie voor de nadelige gevolgen van het ontslag.
Concurrentiebeding
Nu de opzegging vernietigbaar is, is – ook nu werknemer heeft gekozen om daarin te berusten – de ernstige verwijtbaarheid van werkgeefster gegeven. Dit betekent dat werkgeefster geen rechten meer kan ontlenen aan het concurrentiebeding (zie art. 7:653 lid 4 BW). De verzochte verklaring voor recht wordt dan ook afgegeven.