Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 12 maart 2021
ECLI:NL:RBNHO:2021:2987
Feiten
Werknemer is sinds 21 februari 2020 in dienst bij werkgeefster in de functie van medewerker restaurant. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst van 1 februari 2020 staat dat deze is aangegaan voor bepaalde tijd en tot en met 22 augustus 2020. Tussen partijen is ook overeengekomen dat werknemer recht heeft op het gebruik van een woning van werkgeefster. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst wordt vermeld dat werknemer bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst de woning binnen een termijn van 48 uur na die beëindiging moet verlaten. Werkgeefster heeft na 8 oktober 2020 geen loon meer betaald aan werknemer. In een brief aan werkgeefster van 22 december 2020 heeft werknemer gesteld dat hij zich op 8 oktober 2020 ziek heeft gemeld en dat hij aanspraak maakt op loondoorbetaling tijdens ziekte. In een e-mail van 4 januari 2021 heeft werkgeefster werknemer een brief gestuurd van werkgeefster van 1 november 2020, waarin staat: “Zoals hebben wij afgesproken laat ik u weten dat de arbeidsovereenkomst stopt per 01-12-2020.” Werknemer verzoekt het ontslag door werkgeefster te vernietigen, vast te stellen dat de arbeidsovereenkomst na 24 februari 2021 voortduurt en werkgeefster te veroordelen om aan werknemer een aanbod te doen voor een nieuwe arbeidsovereenkomst met een vaste urenomvang. Ook wordt verzocht werkgeefster te veroordelen tot doorbetaling van loon na 8 oktober 2020.
Oordeel
De kantonrechter kan werkgeefster niet volgen in haar stelling dat de arbeidsovereenkomst door werknemer is opgezegd of beëindigd per 1 december 2020. Van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van werknemer is immers niet gebleken. Integendeel, de inhoud van de brief van werknemer van 1 november 2020 wijst er alleen maar op dat werkgeefster de arbeidsovereenkomst opzegt of beëindigd, niet werknemer. Die opzegging is niet rechtsgeldig, omdat werknemer daarmee niet heeft ingestemd en daarvoor geen toestemming is gegeven door het UWV. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag wordt aldus toegewezen. Omdat partijen het erover eens zijn dat de arbeidsovereenkomst na 22 augustus 2020 stilzwijgend is voortgezet en uit de wet volgt dat de verlenging geacht wordt voor dezelfde tijd te zijn voortgezet, komt de kantonrechter tot het oordeel dat de arbeidsovereenkomst niet voortduurt na 24 februari 2021. Daarbij volgt de kantonrechter werknemer niet in de stelling dat werkgeefster hem een aanbod had moeten doen voor een nieuwe arbeidsovereenkomst met een vaste urenomvang. Werknemer heeft dan ook recht op transitievergoeding. Omdat werknemer sinds 9 oktober 2020 wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van werkzaamheden betekent dit dat werknemer recht heeft op doorbetaling van loon tijdens ziekte. Werknemer heeft op grond van de cao vanaf 9 oktober 2020 recht op 95% van zijn loon. Het loon zal worden vermeerderd met de wettelijke rente, waarbij de verhoging wordt gematigd tot 20%. Het einde van de arbeidsovereenkomst brengt niet mee dat de werknemer de dienstwoning moet verlaten. De woning die werknemer mag gebruiken is een zogenoemde ‘oneigenlijke dienstwoning’. Dat wil zeggen dat die woning geen verband heeft met het verrichten van de arbeid. Dat betekent dat werknemer huurbescherming heeft. De vordering van de werkgeefster om werknemer te veroordelen tot ontruiming van de woning wordt daarom afgewezen.