Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 16 april 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:3842
Feiten
Werkneemster is op 6 januari 2020 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van een jaar in dienst getreden van Bakker Centrale Inkoop B.V. (hierna: Bakker) in de functie Junior Categorie Marketeer. Tijdens een overleg via MS Teams op 30 oktober 2020 heeft de Senior Personeelsadviseur werkneemster medegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zal worden verlengd. Op 2 december 2020 mailt de senior personeelsadviseur het volgende aan werkneemster: ‘Ik stuur je de uitslagen van de (beroepskeuze)tests die je hebt ingevuld even door. Ik hoop dat dit je helpt, ik ben een tijdje op vakantie tot en met 23 december. We spreken elkaar erna, hou je goed’. In reactie op deze e-mail mailt werkneemster op 2 december 2020 aan de senior personeelsadviseur het volgende: ‘Dankjewel voor het doorsturen. Fijne vakantie! Mijn laatste dag is de 24e, dus ik weet niet of we elkaar dan nog spreken. Dankjewel voor de support’. Bij brief van 13 januari 2021 aan Bakker heeft werkneemster zich op het standpunt gesteld dat Bakker niet schriftelijk heeft aangezegd dat haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zou worden verlengd en heeft werkneemster Bakker verzocht om haar binnen veertien dagen de aanzegvergoeding te betalen. Bij e-mail van 25 januari 2021 heeft de gemachtigde van Bakker werkneemster laten weten dat Bakker niet aan het verzoek tot betaling van de aanzegvergoeding zal voldoen. Werkneemster verzoekt de kantonrechter Bakker te veroordelen tot betaling van deze vergoeding ter hoogte van € 3.089,58 bruto.
Oordeel
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Bakker niet voldaan aan de aanzegverplichting als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 onder a BW. Weliswaar staat tussen partijen niet ter discussie dat in ieder geval op 30 oktober 2020 aan werkneemster mondeling is kenbaar gemaakt dat haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zou worden verlengd, werkneemster is hierover door Bakker niet schriftelijk geïnformeerd. Bakker heeft in het kader van het schriftelijkheidsvereiste gewezen op de e-mailwisseling tussen de senior personeelsadviseur en werkneemster op 2 december 2020. Deze e-mailwisseling kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden aangemerkt als een schriftelijke aanzegging als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 onder a BW. In de e-mailwisseling wordt werkneemster namelijk niet geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Bakker heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de rechtspraak blijkt dat de eis van een schriftelijke aanzegging geen waarborgfunctie meer heeft indien uit de omstandigheden blijkt dat het voor een werknemer volkomen helder is dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd. Een beroep op artikel 7:668 lid 3 BW is in zo’n geval volgens Bakker naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Nog afgezien van de omstandigheid dat werkneemster heeft gesteld dat het voor haar niet volkomen helder was dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd, is het enkele feit dat geen schriftelijke aanzegging heeft plaatsgevonden in principe voldoende om aanspraak te kunnen maken op de aanzegvergoeding. De ratio achter de aanzegplicht is een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet tot het einde van de arbeidsovereenkomst in onzekerheid te laten over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst na ommekomst van de overeengekomen duur. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat om de positie van de werknemer te versterken van de werkgever wordt verlangd dat een mondelinge toezegging van de werkgever wordt geformaliseerd via een schriftelijke aanzegplicht. De kantonrechter acht het derhalve niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat aanspraak wordt gemaakt op de aanzegvergoeding. De slotsom luidt op grond van het voorgaande dat Bakker zal worden veroordeeld tot betaling van de aanzegvergoeding aan werkneemster. De hoogte van het maandsalaris van € 3.089,58 bruto is door Bakker niet weersproken, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.