Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 6 mei 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:1826
Feiten
Werkgeefster valt onder de Cao Metalektro. Op 1 december 2020 expireerde deze cao en ondanks meerdere onderhandelingsrondes is geen overeenstemming bereikt over een nieuwe cao. Na afwijzing van het eindbod hebben de betrokken vakbondsleden besloten om over te gaan tot het voeren van acties, waaronder een werkstaking. Op 14 december 2020 heeft de FNV werkgeefster door middel van een brief aangekondigd dat leden bereid zijn over te gaan tot het voeren van acties bestaande uit onder andere het weigeren van ‘overwerk’. Werkgeefster heeft naar aanleiding van de coronapandemie op 26 mei 2020 – na instemming van de ondernemingsraad – een urenbank ingevoerd. De urenbank hield in dat min-uren werden opgebouwd doordat de normale dagdienst werd geknipt in twee ploegen. Deze min-uren moesten uiterlijk 14 april 2021 weer zijn ingehaald door het maken van plus-uren. Werkgeefster heeft vervolgens de urenbank uitgevoerd door de gestaakte uren van de werknemers buiten de normale werktijd in mindering te brengen op het loon. Daarnaast heeft werkgeefster medewerkers die weigerden overwerk te verrichten, in maart 2021 één of meer officiële waarschuwingen gestuurd. In deze procedure vordert de FNV onmiddellijke intrekking van alle afgegeven waarschuwingen betreffende de weigering om min-uren uit de urenbank in te halen en te gebieden dat werkgeefster in het vervolg afziet van het opleggen van officiële waarschuwingen zolang er sprake is van collectieve acties. Daarnaast vordert de FNV een voorschot op de schadevergoeding van € 25.000 wegens schending van artikel 6 lid 4 ESH.
Oordeel
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van 14 december 2020 waarin de FNV collectieve acties bij werkgeefster aankondigt niet uitsluitend ziet op overwerk, maar ook ziet op de inhaaluren, zoals in het onderhavige geval aan de orde zijn. FNV voert terecht aan dat met de term ‘overwerkstaking’ bedoeld wordt de uren die buiten de normale werkdag en boven het dienstrooster zijn vastgesteld. Daar vallen dus zowel overuren als inhaaluren onder. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat deze urenbank, althans de verrekening van niet gewerkte uren als gevolg van de staking, in strijd komt met artikel 7:628 BW. Dat werkgeefster genoodzaakt was in verband met de coronapandemie haar werkwijze aan te passen, waardoor werknemers van werkgeefster verhinderd werden hun volledige arbeid te verrichten, is een omstandigheid die ligt in de risicosfeer van de werkgever. De werknemer behoudt immers zijn recht op loon indien het verrichten van arbeid is verhinderd door omstandigheden die in beginsel overmacht opleveren. Aldus was werkgeefster bij invoering van de gescheiden ploegendienst gehouden het volledige loon door te betalen. De uitbetaling van de niet gewerkte uren kan gelet hierop niet als voorschot op het loon of te veel betaald loon worden gezien in de zin van artikel 7:632 BW. Verrekening van de door de staking getroffen inhaaluren is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet op zijn plaats en bovendien in strijd met artikel 7:611 BW. Het gevolg van het bovenstaande is dat de door werkgeefster verstuurde waarschuwingen aan de stakende werknemers als onrechtmatig zijn te kwalificeren en dus ten onrechte zijn verstrekt. De vordering van FNV tot intrekking hiervan wordt derhalve toegewezen. De vordering omtrent een verbod op het opleggen van toekomstige waarschuwingen zal worden afgewezen omdat de urenbank bij werkgeefster inmiddels is opgehouden te bestaan. Tot slot wordt het voorschot op schadevergoeding eveneens afgewezen, omdat de FNV die schade niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd.