Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/USP Marketing Consultancy B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 10 juli 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:13198
Junior Research Analyst doet een beroep op het rechtsvermoeden van arbeidsomvang, maar heeft slechts in beperkte mate recht op achterstallig loon, gezien het feit dat zij gedurende een langere periode haar beschikbaarheid niet heeft opgegeven. Kantonrechter wijst een bedrag van € 2.930,85 bruto aan achterstallig loon toe.

Feiten

Werkneemster is op 1 juni 2018 in dienst getreden bij USP Marketing Consultancy B.V. (hierna: USP) als ‘Junior Research Analyst’ op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van drie maanden. Per 5 september 2018 is de arbeidsovereenkomst verlengd voor de duur van een jaar. Het uurloon bedraagt € 11,70 bruto. De planning zal in overleg met werkneemster worden vastgesteld, waarbij werkneemster in beginsel verplicht is de opgedragen werkzaamheden uit te voeren. Werkneemster zet haar werkdagen in de Outlookagenda. Op 8 november 2018 heeft werkneemster zich ziek gemeld, waarna zij enkele dagen later weer was hersteld. USP laat hierop weten dat er voor die week en de week erop nog niets stond ingepland en dat zij, door een vermindering van het aantal projecten, werkneemster niet nodig had. Eind november bericht USP werkneemster dat er nog niets veranderd is ten aanzien van de drukte en dat ook in december niets voor haar is ingepland. De verwachting is dat januari drukker zal worden, maar na een e-mail van werkneemster op 8 januari 2019 bericht USP haar dat zij verwacht dat zij de hulp van werkneemster eind januari weer kan gebruiken. Het tijdelijke dienstverband met werkneemster loopt van rechtswege af op 4 september 2019. Op 5 juni 2019 heeft werkgeefster bevestigd dat dit niet zal worden verlengd. Partijen hebben vervolgens veelvuldig met elkaar gecommuniceerd, ook over de werkzaamheden die werkneemster tot 5 september 2019 kon verrichten, hetgeen niet tot een oplossing heeft geleid. Werkneemster verzoekt de kantonrechter onder meer om USP te veroordelen aan werkneemster een bedrag van € 11.151,17 bruto aan achterstallig salaris en vakantietoeslag te betalen.

Oordeel

Kern van het geschil is de vraag of USP achterstallig salaris aan werkneemster verschuldigd is. De arbeidsovereenkomst tussen partijen vermeldt niets over de omvang daarvan, waardoor het rechtsvermoeden van arbeidsomvang (art. 7:610b BW) van toepassing is. Naar het oordeel van de kantonrechter moet bij de beoordeling van de vordering uitgegaan worden van drie periodes, te weten: (1) van november 2018 tot en met week 5 2019; (2) van week 6 2019 tot en met 30 juni 2019 en (3) van 1 juli 2019 tot en met 4 september 2019.

Periode 1: november 2019 tot en met week 5 2019

Bij de berekening van het achterstallig loon wordt ervan uitgegaan dat werkneemster tot 17.30 uur werkte. De opmerking in haar e-mail van 17 september 2018 dat zij tot 18.30 uur kan werken is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Uitgaande van een gemiddelde arbeidsomvang van 89 uur per maand zou werkneemster over de periode november 2018 tot en met januari 2019 een beschikbaarheid van 267 uur moeten hebben opgegeven aan USP. Uit de door werkneemster zelf overgelegde tabel blijkt dat zij in bedoelde periode slechts 250,50 uur beschikbaar was. Er bestaat dan ook aanleiding om af te wijken van het rechtsvermoeden van arbeidsomvang ex artikel 7:610b BW. USP is gehouden om de 250,50 uren te vergoeden die werkneemster zich in de periode november tot en met week 5 van 2019 bereid en beschikbaar heeft gehouden om werkzaamheden te verrichten. De omstandigheid dat werkneemster in die periode niet heeft gewerkt, dient voor rekening en risico van USP te komen. USP zal daarom worden veroordeeld om over bedoelde periode het bedrag van € 2.930,85 bruto te betalen.

Periode 2: week 6 tot en met 30 juni 2019

Vanaf week 6 van 2019 heeft werkneemster haar beschikbaarheid niet meer doorgegeven. Zij heeft gesteld dat zij geen instructie heeft gekregen aangaande de wijze waarop zij haar beschikbare uren kenbaar diende te maken. Die stelling is onnavolgbaar, nu werkneemster is verzocht om haar planning wekelijks te mailen. Voorts heeft werkneemster gesteld dat het initiatief voor het doorgeven van haar planning niet altijd bij haar vandaan kwam, maar dat USP haar ook vroeg wanneer zij beschikbaar was. Deze stelling vindt geen steun in de door partijen overgelegde correspondentie. De e-mails van USP met vragen aangaande de beschikbaarheid van werkneemster lijken ingegeven door de door haar opgegeven planning. Het voorgaande leidt ertoe dat ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het doorgeven van haar beschikbaarheid bij werkneemster lag. Nu zij vanaf week 6 van 2019 haar beschikbaarheid niet meer heeft doorgegeven, kon van USP niet verwacht worden dat zij werkneemster inplande. De inhoud van de e-mail van 8 januari 2019 waarin USP aangeeft dat zij verwacht dat het eind januari wel drukker zal zijn en de hulp van werkneemster nodig is, had voor haar tevens aanleiding moeten zijn om haar beschikbaarheid door te geven. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werkneemster zich dan ook niet (althans onvoldoende zichtbaar voor USP) beschikbaar gehouden om werkzaamheden te verrichten. Om die reden wordt de vordering tot betaling van achterstallig salaris over de periode week 6 van 2019 tot 30 juni 2019 afgewezen.

Periode 3: van 1 juli 2019 tot 5 september 2019

Hetgeen voor periode 2 geldt, is ook van toepassing voor periode 3. Ten aanzien van deze periode overweegt de kantonrechter bovendien dat werkneemster de andere werkzaamheden op het callcenter, die door werkgeefster zijn aangeboden, zonder gegronde reden heeft geweigerd. Aangezien bij aanvang van de arbeidsovereenkomst met werkneemster is besproken dat zij altijd andere werkzaamheden op het callcenter kan verrichten, wordt zij geacht hiermee bekend te zijn geweest. De werkzaamheden worden bovendien passend geacht. Gezien het voorgaande wordt ook de vordering tot betaling van achterstallig salaris over de periode van 1 juli 2019 tot 5 september 2019 afgewezen.