Naar boven ↑

Rechtspraak

stichting Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam/werkneemster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 29 april 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:4194
Ontbindingsverzoek afgewezen. Onvoldoende onderbouwd dat verbetering van het functioneren van werkneemster en de arbeidsverhouding niet mogelijk is. Tijdelijke overplaatsing heeft gezorgd voor problemen. Het ligt op de weg van werkgever om zich daar niet ‘blind op te staren’.

Feiten

Werkneemster is op 30 november 1994 bij stichting Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam (hierna: BOOR) in dienst getreden op basisschool 1 in de functie van lerares. Bij brief van 10 juli 2017 is aan werkneemster een verbetertraject aangeboden met ingang van 21 augustus 2017. Vervolgens zou werkneemster met ingang van 22 augustus 2017 tijdelijk worden overgeplaatst naar een andere basisschool van BOOR, namelijk school 2. Bij brief van 13 juli 2017 heeft werkneemster bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op maandochtend 21 augustus 2017 heeft werkneemster zich per e-mail ziek gemeld. Tijdens de arbeidsongeschiktheid verschijnt werkneemster diverse malen niet op afspraken bij de bedrijfsarts, arbeidsdeskundige en casemanager, hetgeen leidt tot arbeidsrechtelijke sancties van BOOR. Bij vonnis van 21 oktober 2020 heeft de kantonrechter geoordeeld dat BOOR een zodanig zwaarwichtig belang heeft bij plaatsing van werkneemster op school 2 dat het belang van werkneemster daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. BOOR verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen BOOR en werkneemster te ontbinden.

Oordeel

c-grond: frequent ziekteverzuim

Werkneemster is weliswaar inmiddels reeds een lange periode arbeidsongeschikt, maar er is geen sprake van veelvuldig en kortdurend ziekteverzuim, zoals het UWV ook heeft geoordeeld in het door BOOR overgelegde deskundigenoordeel. Reeds om die reden is van de c-grond dus geen sprake.

d-grond: disfunctioneren

BOOR baseert haar stelling dat werkneemster onvoldoende functioneert op de analyse van vijf lessen begrijpend lezen uit 2017. De directrice heeft drie lessen geobserveerd en vervolgens heeft een externe coach werkneemster begeleid bij het voorbereiden en geven van twee lessen. De kantonrechter oordeelt dat op basis hiervan weliswaar kan worden geconcludeerd dat het functioneren van werkneemster specifiek ten aanzien van begrijpend lezen voor verbetering vatbaar is, maar dat dit onvoldoende is om te concluderen dat werkneemster ongeschikt is tot het verrichten van de bedongen arbeid. Zeker nu werkneemster daarvoor 24 jaar als lerares werkzaam was op school 1 en gesteld noch gebleken is dat zij in die periode niet naar tevredenheid functioneerde. BOOR heeft aan werkneemster weliswaar voorgesteld om te werken aan verbetering van het functioneren op school 2, maar dit traject is nooit gestart omdat werkneemster voorafgaand daaraan arbeidsongeschikt is uitgevallen. Dat het verbetertraject niet van de grond is gekomen is niet aan werkneemster te wijten, nu onbetwist is dat werkneemster arbeidsongeschikt was. Voor zover van disfunctioneren al sprake zou zijn heeft werkneemster dus tot op heden geen reële gelegenheid gehad om haar functioneren te verbeteren. Van een voldragen d-grond is daarom geen sprake.

g-grond: verstoorde arbeidsverhouding

Blijkens de omstandigheden die BOOR ten grondslag heeft gelegd aan haar verzoekschrift heeft werkneemster in 2017 en 2018 onvoldoende meegewerkt aan haar re-integratie, zoals ook blijkt uit het deskundigenoordeel van het UWV. Als onbetwist staat vast dat er momenteel als gevolg daarvan sprake is van een stroeve relatie tussen BOOR en werkneemster. De kantonrechter oordeelt echter dat onvoldoende vaststaat dat dit een ernstige en duurzame verstoring betreft. Werkneemster heeft immers nooit geweigerd om aan de slag te gaan bij school 2. Zij heeft haar juridische mogelijkheden gebruikt om zich ertegen te verzetten en is voor de start bij school 2 arbeidsongeschikt uitgevallen. Werkneemster heeft aangevoerd dat zij bereid is om na haar herstel te starten bij school 2. Van BOOR mogen, met het oog op het langdurige succesvolle dienstverband van werkneemster, verdergaande inspanningen worden verwacht. Nu dus van een ernstige en duurzame verstoring geen sprake is, kan ook de g-grond niet tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst leiden.

h-grond: overige omstandigheden

Werkneemster heeft aangevoerd dat zij, hoewel zij dit langs de juridische weg heeft geprobeerd te voorkomen, bereid is om bij school 2 te werken, als haar gezondheid dit toelaat. BOOR heeft niet onderbouwd waaruit blijkt dat werkneemster hier niet aan mee zal werken. Bovendien staat voor BOOR ook de mogelijkheid open om werkneemster (toch) te werk te stellen op school 1. BOOR staat (zoals door de voorzieningenrechter is geoordeeld) weliswaar in haar recht als zij werkneemster (tijdelijk) wil overplaatsen naar school 2, maar het staat vast dat juist die tijdelijke overplaatsing heeft gezorgd voor de problemen tussen partijen. Het ligt op de weg van BOOR om zich daar niet ‘blind op te staren’ en ook de optie om werkneemster te werk te stellen op school 1 serieus te onderzoeken, aangezien zij daar 24 jaar naar tevredenheid heeft gefunctioneerd, temeer nu het disfunctioneren slechts is vastgesteld ten aanzien van een beperkt deel van het takenpakket, namelijk begrijpend lezen. Op grond van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat onvoldoende is onderbouwd dat uitvoering van de arbeidsovereenkomst niet mogelijk is.

i-grond: combinatie

De gemene deler van de afwijzing van de d-, g- en h-grond is dat onvoldoende is onderbouwd dat verbetering van het functioneren van werkneemster en de arbeidsverhouding niet mogelijk is. Ook wanneer deze ontslaggronden worden gecombineerd, dan nog mag van BOOR verwacht worden dat zij zich inspant om de arbeidsovereenkomst tussen partijen tot een succes te maken, in het bijzonder gezien het langdurige, succesvolle dienstverband van werkneemster. De i-grond kan daarom evenmin leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.