Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 6 april 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:6713
Werknemer vordert tevergeefs vernietiging vaststellingsovereenkomst op grond van dwaling. De dwaling betreft een uiterst toekomstige omstandigheid (wel of geen toekenning NOW) die, zeker nu het een vaststellingsovereenkomst betreft, vernietiging uitsluit.

Feiten

Werkgeefster is een bedrijf dat zakelijke oplossingen biedt op het gebied van telefonie, internet en ander Cloudcommunicatie. Op 2 september 2019 is werkgeefster een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar met werknemer aangegaan. Op 30 maart 2020 is een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin de arbeidsovereenkomst is beëindigd. Bij brief van 21 juli 2020 heeft werknemer werkgeefster in gebreke gesteld op grond van het feit dat hem ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst een verkeerde voorstelling van zaken is gegeven met betrekking tot de bedrijfseconomische omstandigheden waarin werkgeefster verkeerde. In deze procedure vordert werknemer vernietiging van de tussen partijen tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst op grond van dwaling en veroordeling van werkgeefster tot betaling van achterstallig salaris, alsmede een billijke vergoeding. In reconventie heeft werkgeefster teruggave van haar bedrijfseigendommen gevorderd, alsmede betaling van de opeisbare boete.

Oordeel

De kantonrechter overweegt allereerst dat bij vernietiging van een vaststellingsovereenkomst op grond van dwaling terughoudendheid is geboden, omdat partijen tijdens het sluiten van een dergelijke overeenkomst nu juist vaak in een zekere onduidelijkheid verkeren. Daarom wordt immers een vaststellingsovereenkomst gesloten. Tussen partijen heeft een debat plaatsgevonden over de vraag of werkgeefster aanspraak zou kunnen maken op de NOW-regeling. Werknemer stelt dat werkgeefster hierover niet eerlijk is geweest jegens hem. Vaststaat echter dat deze NOW-subsidie ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst (30 maart 2020) nog niet aan wekgeefster was toegekend. Pas in augustus 2020 is gebleken dat aan werkgeefster een NOW-subsidie is toegekend. De dwaling betreft derhalve een uiterst toekomstige omstandigheid, die, zeker nu het een vaststellingsovereenkomst betreft, vernietiging uitsluit. De vordering van werknemer wordt derhalve afgewezen. Dit heeft tot gevolg dat de vaststellingsovereenkomst tot stand blijft, en de arbeidsovereenkomst daarmee op 1 mei 2020 is beëindigd. Ook de vordering tot betaling van achterstallig salaris wordt daarom afgewezen. Nu het niet duidelijk is wat de billijke vergoeding omvat en waar deze op is gegrond, wijst de kantonrechter deze vordering eveneens af. De vordering in reconventie van werkgeefster wordt toegewezen. Op grond van de vaststellingsovereenkomst is werknemer namelijk gehouden zijn bedrijfseigendommen te retourneren. De gevorderde contractuele boete is echter naar het oordeel van de kantonrechter, in de bewoordingen zoals tussen partijen overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Deze boete zal derhalve worden gematigd.