Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 26 februari 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:4624
Feiten
Vereniging Voor Christelijk Voortgezet Onderwijs Te Rotterdam En Omstreken (hierna: CVO) is een vereniging waaronder zeven scholengemeenschappen ressorteren. Een daarvan is Melanchton, een christelijke scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs met vestigingen in Rotterdam en Lansingerland. Werkneemster is met ingang van 1 augustus 2013 in dienst getreden van CVO. CVO is haar formeel-juridische werkgever, en Melanchton haar feitelijke werkgever. De functie van werkneemster is die van ‘docent C’ met de vakken tekenen en beeldende vorming. Op 4 maart 2019 is werkneemster bevallen van een dochter. Kort na de bevalling was sprake van complicaties, waardoor werkneemster een bijna-doodervaring heeft gehad. Na ommekomst van het bevallingsverlof heeft zij haar werkzaamheden voor Melanchton hervat. Op 20 juli 2020 heeft werkneemster zich (laatstelijk) ziek gemeld en haar (volledige) arbeidsongeschiktheid duurt sindsdien voort. In een e-mail van 26 januari 2021 aan werkneemster heeft de bedrijfsarts bevestigd in een ‘duurzame-inzetbaarheidsoverleg’ te hebben gezegd dat een verstoorde arbeidsverhouding tussen werkneemster en Melanchton/CVO ervoor zorgt dat de medische klachten aanwezig blijven en dat, mocht deze situatie niet veranderen, zij verwacht dat geen terugkeer van werkneemster mogelijk is vanwege medische arbeidsongeschiktheid. In deze procedure verzoekt CVO ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-, c- en/of i-grond.
Oordeel
De kantonrechter stelt voorop dat niet in geschil is dat werkneemster vanaf 20 juli 2020 onverminderd volledig arbeidsongeschikt is. Het opzegverbod tijdens ziekte is dan ook van toepassing. CVO stelt zich echter op het standpunt dat hierop de uitzonderingen uit artikel 7:671b lid 6 onder a en b BW van toepassing zijn nu het verzoek is gebaseerd op een verstoorde arbeidsverhouding die zich vanaf het schooljaar 2016/2017 heeft ontwikkeld. Uit een door werkneemster overgelegd behandelplan blijkt echter dat zij is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en dat haar bijna-doodervaring na haar bevalling in 2019 en de spanningen op het werk die tot een uitval en een mogelijk ontslag hebben geleid, de druppels waren die de emmer op geestelijk gebied hebben doen overlopen. Volgens de in dit behandelplan opgenomen probleembeschrijving is voor werkneemster de werksituatie de toonaangevende factor geweest, en dan met name de wijze waarop zij is behandeld in het in 2019 en 2020 doorlopen mediationtraject. Daargelaten de vraag of partijen over en weer in het mediationtraject een serieuze poging hebben gedaan om de verstoorde verhouding te normaliseren, overweegt de kantonrechter dat op grond van het hiervoor overwogene niet gezegd kan worden dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft. Evenmin kan de kantonrechter CVO volgen in haar standpunt dat een uitzondering op het opzegverbod tijdens ziekte zich hier voordoet om reden dat het langdurige mediationtraject partijen niet dichter bij elkaar heeft gebracht en het voortzetten van de arbeidsovereenkomst volgens mededeling van bedrijfsarts het herstel van werkneemster niet zal bevorderen. Zowel uit het behandelplan als de e-mails van CVO volgt dat een terugkeer van werkneemster mogelijk wordt geacht mits er adequate actie wordt ondernomen teneinde de verstoorde arbeidsverhouding te herstellen. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de door CVO verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst reeds afstuit op het opzegverbod tijdens ziekte, zodat aan een inhoudelijke beoordeling van de door haar aangevoerde redelijke gronden niet wordt toegekomen.