Rechtspraak
Feiten
Werknemer is op 1 september 2018 in dienst gereden bij werkgeefster in de functie van internationaal chauffeur. Werknemer heeft zich op enig moment in januari 2021 ziekgemeld. Werkgeefster heeft nadien het loon tijdelijk stopgezet. Inmiddels zijn de arbeidsverhoudingen verstoord geraakt. Mediation heeft niet tot een oplossing geleid. Werknemer vordert veroordeling van werkgeefster tot betaling van het achterstallig loon over de weken 1 tot en met 16 van 2021, vermeerderd met de wettelijke verhoging.
Oordeel
De kantonrechter stelt vast dat de dagvaarding meerdere onduidelijkheden bevat. De ene keer spreekt werknemer over een betaling van een loon per vier weken en de andere keer over de 25ste van de maand. Verder zijn onder meer de berekeningen van de door werknemer genoemde bedragen onbegrijpelijk. De door werknemer tijdens de mondelinge behandeling ingenomen stellingen hebben het zicht op de zaak beslist niet verhelderd. Dit wordt onder meer veroorzaakt door de omstandigheid dat werknemer niet helder is over hetgeen hij nu precies vordert en de grondslag(en) van zijn vorderingen. Werknemer neemt steeds tegenstrijdige standpunten in. Werknemer laat na te verklaren hoe zijn ingenomen stelling dat werkgeefster maar vijf van de zeven overuren heeft betaald kan leiden tot een gevorderde maandelijkse vergoeding van € 558,99 bruto. Nadat de kantonrechter hierover herhaaldelijk opheldering gevraagd heeft, vermindert werknemer zijn vordering, maar laat na te vermelden tot welk bedrag. De kantonrechter overweegt dat het niet aan hem is om dit uit te rekenen. Dit brengt met zich dat de vorderingen onnavolgbaar zijn, de grondslagen onduidelijk zijn gebleven en niet duidelijk is hoe de berekeningen zijn gemaakt. Nu werknemer er ook tijdens de mondelinge behandeling niet in is geslaagd zijn stellingen voldoende te verhelderen, zullen zijn vorderingen worden afgewezen.