Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 22 juni 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:6130
Feiten
In eerste aanleg heeft de voorzieningenrechter ten aanzien van iedere werknemer afzonderlijk vorderingen toegewezen. Het gaat in casu om toelating tot het werk in de gebruikelijke arbeidsomvang (binnen 24 uur) en betaling van een bedrag aan achterstallig salaris met overwerktoeslag. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat werkgeefster niet heeft tegengesproken dat de onderhavige chauffeurs voorheen min of meer vaste ritten hadden, die vroeg begonnen of laat eindigden en waarmee zij overuren en onregelmatige uren konden maken. De stelling van de chauffeurs dat door deze gedurende vele jaren bestaande praktijk dit een van de arbeidsvoorwaarden is geworden, heeft werkgeefster niet onderbouwd tegengesproken. De voorzieningenrechter is tot het voorlopige oordeel gekomen dat inderdaad sprake is van een arbeidsvoorwaarde en dat werkgeefster onrechtmatig heeft gehandeld door in een juridisch geschil druk te zetten op werknemers door hun substantieel minder werk te geven dan gebruikelijk (terwijl er wel genoeg werk is) en daarmee hun inkomen te laten kelderen.
Oordeel
Het hof verenigt zich met dit oordeel van de voorzieningenrechter en maakt dit tot het zijne. Dit betekent dat het vonnis in stand wordt gelaten. Op grond van de stellingen van partijen en de wederzijds overgelegde producties acht het hof voorshands ruimschoots voldoende aannemelijk dat werkgeefster de betrokken chauffeurs die niet akkoord gingen met de regeling tot afkoop van achterstallige betalingen onder druk heeft gezet door hun substantieel minder werk te geven dan voorheen. Deze handelwijze is ook strijdig met een goed werkgeverschap en de ontkenning ervan tegen beter weten in tast de geloofwaardigheid van andere stellingen van werkgeefster aan. Hoewel dat op haar weg lag, heeft werkgeefster in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat het verlenen van minder werk aan de betrokken chauffeurs een gevolg was van het feit dat zij minder werk te verdelen had. Het hof acht het verweer van werknemers, dat uit de in hoger beroep overgelegde stukken niet blijkt van een structurele daling van het werkaanbod, juist. Voorts wijst het hof erop dat werkgeefster niet dan wel niet voldoende gemotiveerd weersproken heeft dat de betrokken chauffeurs structureel overwerk hebben verricht (door lange dan wel vroege of late ritten). Ook los van de vraag of er sprake is van een arbeidsvoorwaarde die niet zomaar eenzijdig kan worden gewijzigd, waarvan naar het voorlopig oordeel van het hof hier wel sprake is, is er plaats voor het rechtsvermoeden van artikel 7:610 BW.