Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 19 mei 2021
ECLI:NL:RBNHO:2021:4532
Werkgever heeft het loon van arbeidsongeschikte werknemer terecht opgeschort en vervolgens gestopt vanwege het niet verrichten van passende arbeid en het meewerken aan het (bijgestelde) plan van aanpak.

Feiten

Werknemer is op 6 februari 2017 in dienst getreden bij werkgever en was laatstelijk werkzaam als chauffeur. Op 6 mei 2020 heeft werknemer zich arbeidsongeschikt gemeld. Bij advies van 18 november 2020 heeft de Arbo-arts onder meer geschreven dat werknemer belastbaar is voor re-integratieactiviteiten en passende arbeid. Op 18 november 2020 is ook een inzetbaarheidsprofiel opgesteld. Op 19 november 2020 heeft werkgever naar aanleiding van het advies van de Arbo-arts van 18 november 2020 een bijstelling plan van aanpak WIA opgesteld. Werknemer heeft dit plan van aanpak niet ondertekend. Op 16 december 2020 heeft de Arbo-arts dit advies grotendeels herhaald. Op 13 januari 2021 is werknemer op kantoor van werkgever verschenen voor een gesprek. Bij e-mail van 14 januari 2021 heeft de gemachtigde van werkgever aan werknemer onder meer geschreven dat het loon zal worden opgeschort. Bij rapportage van 27 januari 2021 heeft de Arbo-arts (per abuis) het vakje vanwege focus op herstel vooralsnog niet starten met re-integreren’ aangekruist. Verder staat in de rapportage: ‘Gezien de aankomende behandeling is er sprake van een tijdelijke GBM-situatie in de periode 4-2-2021 tot aan 22-3-2021. Gedurende deze periode is betrokkene niet belastbaar te achten voor re-integratieactiviteiten en passende arbeid.’ Op 29 januari 2021 heeft de gemachtigde van werkgever per e-mail aan werknemer geschreven dat de aangezegde loonopschorting wordt omgezet in een loonstop. Op 27 januari 2021 heeft een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden, waar ook mediation wordt geadviseerd. Bij e-mail van 12 februari 2021 heeft de gemachtigde van werknemer aan de gemachtigde van werkgever geschreven dat er in verband met de rapportage van de Arbo-arts van 27 januari 2021 geen juridische basis (meer) bestaat voor de loonopschorting van 13 januari 2021 en de loonstop van 27 januari 2021. Op 3 maart 2021 heeft werknemer een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV om te beoordelen of het werk dat hij moet doen, passend is. De conclusie van het rapport is: ‘Er bestaat geen contra-indicatie om genoemde werkzaamheden te verrichten.’ Werknemer stelt dat werkgever de loonbetaling niet mocht opschorten en/of stoppen en vordert onder meer dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening werkgever veroordeelt tot nabetaling van het bedongen salaris.

Oordeel

De kantonrechter is van oordeel dat het in onvoldoende mate waarschijnlijk is dat de vordering van werknemer in een bodemprocedure wordt toegewezen. In tegenstelling tot wat werknemer aanvoert, volgt uit de rapportages van de Arbo-arts van 18 november 2020 en 16 december 2020 niet dat werknemer geen passende werkzaamheden zou kunnen uitvoeren voordat een arbeidsdeskundig onderzoek had plaatsgevonden; een arbeidsdeskundig onderzoek wordt geadviseerd, maar niet als voorwaarde gesteld. Gelet op het voorgaande was werknemer gehouden passende arbeid te accepteren conform het door de bedrijfsarts opgestelde inzetbaarheidsprofiel. Vast staat dat aan werknemer schuurwerkzaamheden in de lasloods zijn aangeboden. Of daarnaast nog andere werkzaamheden zijn aangeboden, kan gelet op het volgende in het midden blijven. Uit het deskundigenoordeel van 21 april 2021 volgt dat de aangeboden (schuur)werkzaamheden passend waren, zodat werknemer gehouden was die werkzaamheden accepteren. Daaraan kan het feit dat een multidisciplinair interventietraject gepland stond niet afdoen. Ter zitting heeft werkgever onweersproken gesteld dat dat traject niet vóór 25 februari 2021 zou starten (en is gestart). Voor zover werknemer zijn vordering baseert op de e-mail van de Arbo-arts van 7 januari 2021, wordt overwogen dat op het moment waarop werknemer in staat werd geacht passende arbeid te verrichten (19 november 2020) en op de momenten van de loonopschorting en loonstop (januari 2021), de behandeling niet ‘op korte termijn’ zou gaan plaatsvinden. De kantonrechter vindt verder dat werknemer uit de hiervoor besproken startdatum van het behandeltraject, de eerdere adviezen van de Arbo-arts en de context van het advies van de Arbo-arts van 27 januari 2021 had moeten begrijpen dat de Arbo-arts in die rapportage per abuis ‘vanwege focus op herstel vooralsnog niet starten met re-integreren’ had aangevinkt. Hij mocht daaraan dan ook niet de verwachting ontlenen dat hij vanaf 27 januari 2021 niet (meer) hoefde te re-integreren. Gelet op het voorgaande is het voorlopig oordeel van de kantonrechter dat werknemer ten onrechte passende arbeid heeft geweigerd, zodat werkgever terecht zijn loon heeft opgeschort en gestopt. Daarmee had het ook op de weg van werknemer gelegen om het bijgestelde plan van aanpak te ondertekenen, zodat werkgever ook vanwege het niet ondertekenen van het plan van aanpak de loonbetaling aan werknemer mocht opschorten (en vervolgens stoppen). Ook op de zitting heeft werknemer verklaard dat hij niet in staat was (en is) om werkzaamheden te verrichten. Het had dan ook op zijn weg gelegen om direct na dat advies (van 18 november 2020) een second opinion of deskundigenoordeel te vragen.