Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 22 juni 2021
ECLI:NL:GHDHA:2021:1132
Feiten
Werkneemster is op 1 januari 2018 in dienst getreden bij WZH. Vanaf januari 2018 hebben een aantal bewoners en/of hun familieleden gemeld dat er sieraden werden vermist. Op 26 februari 2018 is met de medewerkers gesproken over deze vermissingen. Op 4 maart 2018 is door de dochter van een bewoonster bij de politie aangifte gedaan van diefstal met geweld, waarbij zij heeft verklaard dat de drie gouden ringen die haar moeder altijd droeg, in februari 2018 verdwenen waren. De teamleider heeft op 7 maart 2018 aan het team bericht welke bewoners nog sieraden droegen en erop aangedrongen dat de medewerkers het onmiddellijk zouden melden als deze sieraden zouden verdwijnen. Na maart 2018 zijn er aanvankelijk geen verdwijningen van sieraden meer gemeld. Op 1 november 2018 heeft de teamleider het team bericht dat onder meer een ring van een bewoner was verdwenen. Vanaf maart 2019 zijn er diverse vermissingen van sieraden en parfum gemeld. Op 10 mei 2019 heeft WZH van de politie vernomen dat bij een juwelier sieraden zijn aangetroffen afkomstig van diefstal. Op 16 mei 2019 is werkneemster aangehouden. Bij een huiszoeking bij werkneemster door de politie zijn sieraden aangetroffen. Op 31 mei 2019 is werkneemster op staande voet ontslagen. In het strafvonnis is overwogen dat werkneemster degene is die de sieraden heeft gestolen, dit bewezen is verklaard en aan werkneemster is een gevangenisstraf opgelegd. Werkneemster verzoekt het ontslag op staande voet te vernietigen. De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen, waartegen werkneemster in hoger beroep komt.
Oordeel
Werkneemster voert twee verweren. Het eerste verweer houdt in dat de ontslagbrief onvoldoende duidelijk is. Het hof oordeelt dat werkneemster uit de bewoordingen en de context van de ontslagbrief heeft kunnen en moeten begrijpen dat zij wordt ontslagen vanwege de door haar gepleegde diefstal. Dat wordt gesproken over een “vermoeden” en vervolgens over een “feit”, doet daar niet aan af. Het tweede verweer is dat het ontslag niet onverwijld is gegeven. Ook dit verweer wordt verworpen. Werkneemster heeft in hoger beroep geen nieuwe argumenten aangevoerd en het hof onderschrijft de overwegingen hierover van de kantonrechter en maakt deze tot de zijne.
Dringende reden
Het hof stelt voorop dat een dringende reden hier al gelegen is in de diefstal van één sieraad van één bewoner. De rechtspraak over diefstal door werknemers is streng en in dit geval is ook nog eens sprake van kwetsbare slachtoffers, te weten ouderen in de laatste levensfase die afhankelijk zijn van zorgverleners zoals werkneemster. Het hof is van oordeel dat, ongeacht de overige in het strafvonnis bewezen geachte diefstallen, in ieder geval de diefstal door werkneemster van een aan bewoonster X toebehorend medaillon met een voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan. Dit levert een dringende reden op voor ontslag op staande voet en WZH heeft recht op de gefixeerde schadevergoeding.