Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 15 juli 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:6881
Feiten
Werknemer is voor de duur van een project van 12 december 2017 tot 10 oktober 2018 in dienst geweest bij Stratt+ Industrial Management B.V. (hierna: Stratt+). Artikel 13 van de arbeidsovereenkomst vermeldt dat er geen pensioenregeling geldt voor werknemers van Stratt+. In de aanstellingsbrief bij de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat Stratt+ voor pensioen een totaal brutobedrag reserveert gelijk aan de mobiliteitsbonus, mits geaccordeerd door het UWV. De mobiliteitsbonus is in 2018 vervangen door een loonkostenvoordeel (hierna: LKV). Stratt+ heeft voor de toekenning hiervan voor het jaar 2018 een aanvraag ingediend bij het UWV. Het UWV heeft Stratt+ medio april 2019 bij voorlopige berekening bericht dat er geen LKV wordt toegekend. Bij beschikking van de Belastingdienst van 25 juli 2019 is definitief besloten dat geen LKV zou worden toegekend. Werknemer heeft onder meer gevorderd bij vonnis Stratt+ te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 5.368 bruto. Hiertoe heeft werknemer aangevoerd dat Stratt+ onrechtmatig heeft gehandeld door werknemer niet tijdig over de definitieve beschikking te informeren en door niet tijdig bezwaar te maken tegen deze beschikking. Indien zij dit wel had gedaan, had de Belastingdienst op basis van de werkelijk verloonde uren de definitieve berekening moeten corrigeren en zou er alsnog een bedrag van € 5.368 bruto zijn uitgekeerd, welk bedrag werknemer op basis van de tussen partijen gemaakte afspraken zou ontvangen voor pensioenopbouw.
Oordeel
Partijen zijn overeengekomen dat ten behoeve van een pensioenvoorziening voor werknemer een brutobedrag zou worden gereserveerd gelijk aan de te verkrijgen mobiliteitsbonus c.q. het te verkrijgen LKV. Hoewel in de aanstellingsbrief niet is omschreven welke stappen Stratt+ had moeten nemen, impliceert de gemaakte afspraak wel degelijk dat van de zijde van Stratt+ enige inspanning mag worden verwacht. Hiertoe behoort naar het oordeel van de kantonrechter dat Stratt+ bezwaar zou maken tegen een afwijzende beschikking als die onmiskenbaar op onjuiste gegevens zou berusten. Dat Stratt+ dit zelf ook zo zag en zelfs heeft toegezegd in voorkomend geval bezwaar te zullen maken, volgt uit haar eigen e-mailbericht van 30 april 2019. Tussen partijen staat vast dat de definitieve beschikking over het jaar 2018 uiterlijk 31 juli 2019 werd verwacht. Bij gebreke daarvan had Stratt+, die een en ander ook nog eens in de agenda had genoteerd, navraag kunnen en moeten doen bij de Belastingdienst, in welk geval zij alsnog tijdig bezwaar had kunnen maken. Overigens volgt uit de beschikking van de Belastingdienst dat voor enkele andere werknemers er in totaal € 7.130 aan vergoedingen werd uitgekeerd en wel zo spoedig mogelijk na de datum van de beschikking. Voor zover dit bedrag vóór 5 september 2019 zou zijn ontvangen, had Stratt+ eveneens naar de onderbouwing van dit bedrag kunnen informeren. Samenvattend heeft Stratt+ nagelaten om tijdig bezwaar in te dienen tegen de afwijzende definitieve beschikking van de Belastingdienst van 25 juli 2019, terwijl de afwijzing onmiskenbaar was gegrond op onjuiste feiten. Stratt+ wist dat dit niet juist was en het lag in de macht van Stratt+ een en ander te corrigeren. Door dit niet te doen is Stratt+ jegens werknemer tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de met werknemer gemaakte afspraken. Daarmee heeft zij zich jegens haar voormalig werknemer werknemer niet als goed werkgever gedragen. Het voorgaande klemt temeer nu werknemer zelf geen enkele invloed kon uitoefenen op het doen van de loonaangifte, het aanvragen van het LKV en het indienen van bezwaar. Dit leidt ertoe dat het gehele bedrag als schade zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging komt niet voor toewijzing in aanmerking. Met het LKV-bedrag zou werknemer in staat worden gesteld zelf een pensioenvoorziening te treffen. Aldus valt het niet onder het begrip ‘het in geld vastgestelde loon’ als bedoeld in artikel 7:625 BW.