Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 9 februari 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:7140
Feiten
Op grond van een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is werkneemster op 12 juli 2017 bij werkgever in dienst getreden als huishoudelijke hulp. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van een jaar en nadien verlengd. In de arbeidsovereenkomst is een tussentijds opzegbeding opgenomen. Op 5 oktober 2020 heeft werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 december 2020. Werkgever verzoekt een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 december 2020 is geëindigd. Werkneemster voert verweer en maakt aanspraak op loon en transitievergoeding.
Oordeel
In dit geval heeft werkgever, die lichamelijk beperkt is, gesteld belemmeringen te hebben ondervonden doordat werkneemster vanwege de zorg voor haar kinderen weinig flexibel was wat betreft werktijden, zodat ziekenhuisbezoeken en andere afspraken, waarbij hij een beroep moest doen op haar hulp, moeilijk te realiseren waren. Dat werkneemster zich aan de afgesproken werktijden heeft willen houden is door haar in zoverre weersproken dat zij aanvoert steeds in overleg met werkgever de werktijden te hebben bepaald als zij verhinderd was in verband met de zorg voor de kinderen. Ook heeft werkgever gesteld zich niet meer op zijn gemak te hebben gevoeld in zijn woning in aanwezigheid van werkneemster. Naar het oordeel van de kantonrechter betreffen dit omstandigheden als bedoeld in artikel 7:669 lid 3, aanhef en onder h, BW die zodanig zijn dat van werkgever in redelijkheid niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren en heeft herplaatsing gezien de zeer persoonlijke aard van de dienstverlening niet in de rede gelegen. Gelet op het vorenstaande heeft werkgever de arbeidsovereenkomst met werkneemster op 5 oktober 2020 tussentijds kunnen opzeggen zonder haar instemming en is dat op goede grond en met inachtneming van de opzegtermijn gebeurd. Aldus is de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 december 2020 geëindigd, overigens zonder dat werkneemster daarvan een verwijt treft. Niet in geschil is dat werkneemster nog recht heeft op loon en de transitievergoeding. De kantonrechter wijst de verklaring voor recht toe.