Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Robert van Wessel Participatie B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 16 juni 2021
ECLI:NL:RBNHO:2021:6278
Nakoming van met werkgever gesloten vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst toegewezen. Nu nergens uit blijkt dat werkneemster ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet ziek was, is geen sprake van dwaling.

Feiten

Werkneemster is op 1 februari 2013 in dienst getreden bij Robert van Wessel Participatie B.V. (hierna: Van Wessel). Op 18 december 2020 heeft werkneemster zich ziek gemeld en op 2 maart 2021 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat gestart kan worden met re-integratie voor tien uur per week in passende arbeid. Vervolgens heeft de bedrijfsarts op 24 maart 2021 geoordeeld dat geen sprake is van benutbare mogelijkheden en dat werkneemster volledig arbeidsongeschikt is. Partijen hebben op 31 maart 2021 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarbij is onder meer afgesproken dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt per 1 juli 2021 en dat werkneemster zal zijn vrijgesteld van werkzaamheden en re-integratieverplichtingen. Op 31 mei 2021 heeft Van Wessel de vaststellingsovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd. In deze procedure vordert werkneemster nakoming van de vaststellingsovereenkomst.

Oordeel

Naar het oordeel van de kantonrechter is het beroep van Van Wessel op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst wegens dwaling of bedrog niet gerechtvaardigd. Van Wessel legt aan haar beroep op dwaling ten grondslag dat zij de vaststellingsovereenkomst van 31 maart 2021 heeft gesloten in de veronderstelling dat zij onderhandelde met werkneemster als zieke werkneemster, terwijl achteraf is gebleken dat werkneemster niet ziek was. Daarbij verwijst Van Wessel naar een rapportage van de bedrijfsarts van 12 mei 2021, waarin staat dat het voor de bedrijfsarts niet mogelijk is om een diagnose vast te stellen. De kantonrechter stelt vast dat werkneemster blijkens de rapportage van de bedrijfsarts van 24 maart 2021 volledig arbeidsongeschikt werd geacht op die datum en daarna. Ten tijde van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst op 31 maart 2021 konden en mochten partijen daar dus ook van uitgaan. Gegevens waaruit blijkt dat werkneemster op 31 maart 2021 niet ziek was, zijn er niet. Van onjuiste of onvolledige inlichtingen van werkneemster over haar ziekte bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst is daarom in ieder geval geen sprake, en evenmin van wederzijdse dwaling. Ook uit de door Van Wessel genoemde rapportage van de bedrijfsarts van 12 mei 2021 volgt dat werkneemster nog steeds wegens ziekte ongeschikt werd bevonden. De enkele omstandigheid dat de bedrijfsarts in de rapportage van 12 mei 2021 opmerkt dat hij geen diagnose kan stellen, doet daaraan niet af. Er is derhalve geen enkele feitelijke basis voor de stelling van Van Wessel dat achteraf is gebleken dat werkneemster niet ziek was ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst en ook geen enkele basis voor de stelling dat werkneemster daarover verkeerde of onvolledige inlichtingen zou hebben gegeven. En zelfs als achteraf zou blijken dat werkneemster ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst toch niet wegens ziekte ongeschikt was voor haar werk, moet een eventuele dwaling voor rekening van Van Wessel zelf blijven. Van Wessel heeft er immers voor gekozen om die vaststellingsovereenkomst aan te gaan. Uit het voorgaande volgt dat er ook voor de stelling van Van Wessel dat de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen door bedrog of misbruik van omstandigheden door werkneemster geen enkele feitelijke grond bestaat. Het bovenstaande betekent dat Van Wessel de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst dient na te komen. De vordering van werkneemster om Van Wessel te veroordelen tot nakoming van die overeenkomst zal dan ook worden toegewezen. Van Wessel heeft zich zonder deugdelijke en redelijke grond niet aan de vaststellingsovereenkomst gehouden. In die handelwijze van Van Wessel ziet de kantonrechter aanleiding om een dwangsom te koppelen aan de veroordeling.