Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 27 juli 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:7214
Feiten
Werknemer is in de periode van 10 augustus 1992 tot en met 1 maart 2016 bij (de rechtsvoorgangster van) Glen Dimplex Benelux B.V. (hierna) GDB in dienst geweest. (De rechtsvoorgangster van) GDB heeft werknemer een pensioentoezegging gedaan. Deze toezegging is op of omstreeks 1 december 1993 vastgelegd in de zogenoemde pensioenbrief. GDB heeft werknemer vanaf 1 januari 2015 laten deelnemen in haar bij Zwitserleven ondergebrachte collectieve middelloonregeling. De vanaf 1993 lopende pensioenverzekering is in dat verband premievrij gemaakt. In een brief van 23 maart 2016 heeft Zwitserleven onder meer meegedeeld dat het op de pensioenverzekering van werknemer tot 1 januari 2015 opgebouwde premievrije kapitaal, vermeerderd met de gerealiseerde rentewinst, (€ 262.670) hoger is, uitgaande van de huidige tarieven tegen een rekenrente van 5%, dan het benodigd verzekerd kapitaal (€ 251.634) en dat daarom geen aanvullende koopsom is verschuldigd. Werknemer heeft een verklaring voor recht gevorderd dat GDB de pensioenovereenkomst niet correct is nagekomen en een veroordeling van GDB tot primair nakoming van de pensioenovereenkomst door aanvullend pensioenkapitaal te verzekeren, al dan niet bij Zwitserleven, ter verwerving van het toegezegde jaarlijkse ouderdomspensioen ingaande 1 juli 2020 ter grootte van € 19.124. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Werknemer is hiervan in hoger beroep gekomen.
Oordeel
Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of de pensioentoezegging in 1993 meebrengt dat GDB gehouden was het voor werknemer pensioen verzekerde kapitaal jaarlijks te laten herberekenen en eventuele als gevolg van deze herberekeningen aanvullende premie aan Zwitserleven te betalen. Tussen partijen is niet in geschil dat Zwitserleven de door haar berekende periodieke premie aan GDB in rekening heeft gebracht en dat GDB die premie steeds heeft betaald. Volgens partijen is daarbij jarenlang steeds dezelfde periodieke premie berekend en betaald. GDB heeft daarmee steeds gedaan waartoe de pensioenbrief haar verplichtte. Anders dan werknemer meent, volgt uit lid 3 van artikel 10 van de pensioenbrief niet zonder meer een verplichting voor GDB om bij een veranderde prognose van de koopsomtarieven (als gevolg van dalende rente en stijgende levensverwachting) zijn pensioenaanspraken af te financieren door het voldoen van aanvullende premie. Voor een aanpassing van de pensioenregeling is immers pas plaats – zo bepaalt dat lid 3 – indien dit naar het oordeel van Zwitserleven nodig is. Met een en ander is onvoldoende onderbouwd dat, voorafgaand aan het per 1 januari 2015 premievrij maken van de pensioenregeling van 1993, GDB er – door werknemer en/of door Zwitserleven conform artikel 10 lid 3 van de pensioenbrief – op is gewezen dat wat aan pensioen was beoogd door veranderde tarieven in onvoldoende mate is gefinancierd en dat de verzekering daarom aanpassing behoefde. Het door werknemer in dat verband bij zijn akte ‘meer gespecificeerde’ bewijsaanbod kan dat gebrek aan onderbouwing niet repareren. Aan een bewijsopdracht komt het hof dan ook niet toe. Werknemer heeft in hoger beroep betoogd dat GDB zich als goed werkgever niet kan verschuilen achter de fouten die volgens hem door Zwitserleven zijn gemaakt. Uit wat door partijen over en weer is aangevoerd, lijkt te kunnen worden afgeleid dat Zwitserleven bij zowel de rekenrente voor de opbouw van het verzekerd kapitaal als bij de prognose van de koopsomtarieven voor de aankoop op de pensioendatum van het benodigde pensioen van (veel) hogere rentestanden is uitgegaan dan actueel aan de orde was en is. Ook in de brief van 23 maart 2016 schrijft Zwitserleven uit te gaan van een rekenrente van 5%, die kennelijk ook door haar in de voorbije jaren is gehanteerd, zodat de pensioenregeling niet in overeenstemming met lid 2 van artikel 10 van de pensioenbrief lijkt te zijn uitgevoerd. Dat GDB tijdens de looptijd van de pensioenregeling (periodiek) had moeten (laten) controleren of Zwitserleven wel van toereikende rekenrentes en/of prognoses uitging, zoals werknemer aanvoert, kan echter niet op de pensioenbrief worden gebaseerd. De norm van goed werkgeverschap gaat naar het oordeel van het hof evenmin zo ver, te minder nu het gaat om een pensioenverzekering waar GDB zelf geen partij bij was en haar verplichtingen inzake de pensioenregeling tegenover werknemer in de pensioenbrief waren opgenomen. Dat GDB er niet steeds op heeft mogen vertrouwen dat Zwitserleven de pensioenregeling naar behoren uitvoerde, zoals werknemer verder stelt, heeft hij tegen de achtergrond van het voorgaande niet uitgewerkt. Het hof ziet zonder toelichting, die niet is gegeven, ook niet in dat en waarom GDB er serieus rekening mee moest houden dat Zwitserleven bij de bepaling van het verzekerd kapitaal en daarmee bij de aan haar in rekening gebrachte premie mogelijk fouten maakte. Het gegeven dat werknemer de pensioenregeling op initiatief van GDB bij Zwitserleven heeft ondergebracht, maakt dat alles niet anders. Uit het voorgaande volgt dat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan op basis waarvan tot het oordeel kan worden gekomen dat GDB tekort is geschoten in een op haar rustende verplichting uit de pensioenbrief. De door werknemer aangehaalde wettelijke affinancieringsplicht richtte zich in dit geval niet rechtstreeks tot een werkgever als GDB. Haar rol was immers beperkt tot het in staat stellen van werknemer als werknemer en verzekerde met een eigen C-polis om de (toen nog mogelijke) individuele pensioenverzekering met Zwitserleven af te sluiten, door het betalen van de door de pensioenuitvoerder berekende premie daarvoor. Zoals overwogen rustte op GDB (zonder bijkomende omstandigheden) evenmin een onderzoeks- of zorgplicht om te bezien of Zwitserleven als pensioenuitvoerder de op haar rustende wettelijke verplichtingen volledig, juist en tijdig nakwam. De slotsom is dat niet kan worden aangenomen dat GDB tegenover werknemer in enige contractuele of wettelijke verplichting is tekortgeschoten. Of dat ook voor Zwitserleven geldt, valt buiten de kaders van deze zaak. Dat wat GDB heeft betaald, levert, zoals overwogen, geen tekortkoming op in wat de pensioenbrief GDB verplicht. De betalingen die GDB deed, vloeiden voort uit pensioenverzekeringsovereenkomst tussen werknemer en Zwitserleven. Dat werknemer meent dat GDB op aangeven van Zwitserleven meer had moeten betalen, maakt dan nog niet dat GDB ongerechtvaardigd is verrijkt. Dat Zwitserleven heeft nagelaten GDB meer te laten betalen komt in de verhouding tussen werknemer en GDB voor zijn rekening en risico. Dit laat onverlet dat werknemer dat nalaten mogelijk aan Zwitserleven kan aanrekenen, maar dat ligt, zoals overwogen, niet in dit hoger beroep voor. De grieven falen terwijl de nadere grondslag evenmin doelt treft. Het hof zal daarom de vonnissen waarvan beroep bekrachtigen.