Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 21 juli 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:3295
Uitzendkracht stelt inlener op grond van artikel 7:616a BW aansprakelijk voor nabetaling loon en vergoeding vakantiedagen. Uitzendbureau mocht – conform toepasselijke cao – pauzestaffel toepassen. Afwijzing loonvordering.

Feiten

Werknemer heeft in de periode van 10 april 2019 tot en met 24 oktober 2019 op basis van een uitzendovereenkomst gewerkt als vrachtwagenchauffeur voor achtereenvolgend drie verschillende uitzendbureaus. Hij verrichtte zijn werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur voor X B.V. (hierna: de inlener). De uitzendbureaus hebben werknemer het uurloon betaald conform de cao voor het Beroepsgoederenvervoer en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de cao). Werknemer stelt dat de uitzendbureaus niet alle gewerkte uren en niet de gehele onkostenvergoeding hebben uitbetaald. Werknemer heeft de uitzendbureaus hierop aangesproken, maar heeft daarop geen reactie gekregen. Een van de uitzendbureaus is inmiddels failliet. Werknemer heeft daarna de inlener aangesproken, maar die wijst aansprakelijkheid af. Werknemer vordert veroordeling van de inlener tot betaling van achterstallig salaris, vakantiebijslag, vakantiedagen en ATV-dagen en een verblijfskostenvergoeding. Hij spreekt voor zijn vordering de inlener aan op grond van artikel 7:616a BW.

Oordeel

Hoofdelijke aansprakelijkheid

De kantonrechter stelt voorop dat werknemer zijn vordering (uitsluitend) baseert op artikel 7:616a BW. Op grond van dit artikel zijn de werkgever en de opdrachtgever hoofdelijk aansprakelijk voor de voldoening van het aan de werknemer verschuldigde loon. Werknemer mocht ervan uitgaan dat de inlener de opdrachtgever was voor de chauffeurswerkzaamheden die hij in dienst van de uitzendbureaus heeft verricht. Werknemer kan de inlener daarom hoofdelijk aansprakelijk stellen voor nog verschuldigd loon voor zijn werkzaamheden bij de inlener.

Vergoeding vakantie- en ATV-dagen en verblijfskostenvergoeding

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever niet heeft bedoeld om de vergoeding voor vakantiedagen onder het door de Hoge Raad gehanteerde loonbegrip te rekenen en onder het toepassingsbereik van artikel 7:616a BW te laten vallen. Werknemer heeft onvoldoende gesteld dat dit voor ATV-dagen wel is bedoeld. Ook de verblijfskostenvergoeding kan niet worden aangemerkt als loon als bedoeld in artikel 7:616a BW. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen.

Loon

Werknemer heeft gesteld dat de uitzendbureaus niet alle door hem voor de inlener gewerkte (over)uren hebben uitbetaald. Partijen zijn het erover eens dat het wel of niet toepassen van de pauzestaffel op grond van de cao tot een verschil in uitbetaling van gewerkte uren kan leiden. De inlener heeft toegelicht dat de pauzestaffel niet volledig is toegepast, wat in het voordeel is geweest van werknemer. De inlener heeft bij een herberekening van 8 februari 2021 de pauzestaffel volledig toegepast, waardoor het aantal uit te betalen diensturen lager is dan wat in eerste instantie door de inlener was berekend en uitbetaald. De kantonrechter is van oordeel dat de inlener aan de hand van de toepasselijke cao-bepalingen gemotiveerd heeft betwist dat de uitzendbureaus bij de uitbetaling van de gewerkte uren de pauzestaffel niet mochten toepassen. De omstandigheid dat de uitzendbureaus de urenstaten waarop werknemer de werkelijk genoten pauze heeft genoteerd, voor akkoord hebben getekend, maakt dit niet anders. De kantonrechter komt al met al tot de conclusie dat ook de loonvordering niet kan worden toegewezen.