Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 27 juli 2021
ECLI:NL:GHAMS:2021:2314
Feiten
Werknemer is in juni 2013 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van een hotel in Amsterdam. Op 13 januari 2020 is de exploitatie van hotel overgedragen aan Kesefa. Werknemer heeft per e-mail van 20 januari en 21 januari 2020 geschreven dat hij zich zorgen maakte dat hij niets had gehoord en er geen contact met hem was opgenomen over de nieuwe werksituatie. Bij e-mail van 27 januari heeft hij zich beschikbaar voor werkzaamheden gesteld en om doorbetaling van salaris verzocht. Op 30 januari heeft Kesada toegezegd dat het salaris – dat vanaf 13 januari 2020 voor rekening en risico van Kesefa kwam – zou worden voldaan. Uiteindelijk is afgesproken dat werknemer op 10 februari 2020 zijn werk zou hervatten bij het hotel. Werknemer heeft zich op 10 februari 2020 per WhatsApp ziek gemeld. Op 11 februari 2020 heeft de general manager per brief een officiële waarschuwing gestuurd aan werknemer, omdat hij op 10 februari 2020 om 11.16 uur en 17.10 uur telefonisch niet bereikbaar was. De bedrijfsarts heeft op 17 februari 2020 geconcludeerd dat sprake was van gezondheidsklachten die niet te maken hebben met ziekte of gebrek, maar met een arbeidsconflict. Een mediationtraject heeft niet tot een oplossing geleid en is op 17 maart 2020 geëindigd. Op 24 maart 2020 heeft Kesefa € 1.000 aan werknemer betaald. In eerste aanleg is de loonvordering van werknemer toegewezen, maar oordeelde de kantonrechter dat afspraken met het hotel omtrent onbetaald verlof niet zijn komen vast te staan. In hoger beroep komt werknemer op tegen het oordeel ter zake van zijn verlof en de matiging van de wettelijke verhoging over zijn loonvordering.
Oordeel
Onbetaald verlof
Met grief 1 komt werknemer op tegen het oordeel van de kantonrechter omtrent het verlof van werknemer. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis vastgesteld dat werknemer tijdens de zitting heeft verklaard dat hij met zijn voormalige werkgever heeft besproken dat het verlof van 13 tot 21 januari 2020 onbetaald was, maar mogelijk in mindering kon worden gebracht op het bij de opvolgend werkgever op te bouwen verlofsaldo en dit is door werknemer onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van hetgeen de kantonrechter omtrent de verklaring van werknemer ter zitting in het vonnis heeft opgenomen noch aan haar interpretatie van die verklaring. Het is ook een alleszins redelijke afspraak, omdat blijkens de laatste salarisstrook van het hotel van 3 februari 2020 een eindafrekening heeft plaatsgevonden, waarbij ook alle opgebouwde vakantieuren zijn uitbetaald. Werknemer had na de overgang van onderneming naar Kesefa derhalve geen openstaande, noch opgebouwde vakantieuren.
Matiging wettelijke verhoging
Met grief 2 komt werknemer op tegen het oordeel van de kantonrechter om aan wettelijke verhoging (slechts) een bedrag van € 500 bruto als voorschot toe te wijzen. Werknemer heeft daartoe aangevoerd dat de – volgens hem – door de kantonrechter toegepaste matiging van de wettelijke verhoging ongegrond is. Het hof oordeelt echter dat de kantonrechter de wettelijke verhoging niet heeft gematigd, maar slechts in kort geding ter zake van de wettelijke verhoging een voorschot van € 500 bruto heeft toegewezen. Het betoog van werknemer treft derhalve geen doel.