Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 13 augustus 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:7912
Feiten
In deze zaak heeft de kantonrechter reeds twee vonnissen gewezen op 4 september 2015 en 8 juli 2016. De procedure loopt al vele jaren. In de eerdere vonnissen is reeds overwogen dat het onmogelijk was om op basis van de door partijen in het geding gebrachte grote hoeveelheid gegevens de juistheid van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht te verifiëren, zodat zonder nadere toelichting van partijen geen beslissing kan worden gegeven. De toen geplande comparitie van partijen is niet doorgegaan en de zaak is jarenlang aangehouden op verzoek van partijen. Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg (hierna: het Pensioenfonds) verzoekt de kantonrechter werkgeefster te veroordelen tot betaling van € 113.559,10 aan pensioenpremies voor de premiejaren 2005-2012 aan het Pensioenfonds.
Oordeel
Allereerst oordeelt de kantonrechter over de vraag of met de schikking die partijen op 14 december 2011 hebben getroffen door het Pensioenfonds finale kwijting is verleend voor de nota’s van de periode tot februari 2011. De kantonrechter kan het Pensioenfonds niet volgen in zijn standpunt dat de met werkgeefster getroffen schikking is komen te vervallen, omdat werkgever de overeengekomen betalingsregeling niet nakwam. Een redelijke uitleg is immers dat door de niet of niet tijdige betaling van de overeengekomen zes maandelijkse betaaltermijnen de schikking niet is komen te vervallen, maar dat de bij die schikking overeengekomen betalingsregeling is vervallen met als gevolg dat heel de hoofdsom terstond opeisbaar is geworden. Dat het zo uitgelegd moet worden blijkt wel uit het feit dat werkgeefster op 7 maart 2012 de gehele op dat moment nog resterende hoofdsom heeft betaald en het Pensioenfonds vervolgens op 8 maart 2012 bij de kantonrechter heeft verzocht de aanhangige procedure te royeren. Gelet hierop is de schikking zelf niet vervallen, zodat finale kwijting is verleend na betaling van het openstaande bedrag. Vervolgens is de vraag welk bedrag aan premies werkgeefster dan wel moet betalen. De kantonrechter overweegt dat dat volgens het Pensioenfonds € 113.559,10 is, maar dat het Pensioenfonds, hoewel het daartoe meerdere keren in de gelegenheid is gesteld, heeft nagelaten om een duidelijke berekening over te leggen. Onduidelijk blijft met welke facturen de creditnota’s verrekend zijn. Omdat het Pensioenfonds de gewenste duidelijkheid niet kon geven, heeft de kantonrechter voor de zitting van 25 mei 2021 werkgeefster gevraagd te onderbouwen waarom zij in 2017 het standpunt had ingenomen dat zij nog een bedrag van maximaal € 21.278 verschuldigd is. Het Pensioenfonds is na de zitting van 25 mei 2021 in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Het Pensioenfonds is er echter niet in geslaagd te onderbouwen waarom deze berekening van werkgeefster onjuist is. De enkele betwisting van deze berekening is namelijk onvoldoende. Nu het Pensioenfonds zijn vordering niet heeft onderbouwd, zal de kantonrechter uitgaan van het overgelegde overzicht van werkgeefster en haar veroordelen om het door haar (later in deze procedure) erkende bedrag van € 8.647,43 aan het Pensioenfonds te betalen.