Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 8 september 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:9678
Feiten
Werkneemster is op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 7 januari tot 1 april 2021 bij werkgever werkzaam geweest. Werkgever heeft de arbeidsovereenkomst niet verlengd en geen transitievergoeding betaald. Werkneemster verzoekt toekenning van de transitievergoeding, achterstallig loon en een verklaring voor recht dat het proeftijdbeding in de arbeidsovereenkomst nietig is.
Oordeel
Transitievergoeding
Uit artikel 7:673 lid 1 onder a sub 3 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst na het einde van rechtswege niet op initiatief van de werkgever is voortgezet. Partijen zijn het erover eens dat daarvan sprake is en ook dat de transitievergoeding voor werkneemster uitkomt op een bedrag van € 132,08 bruto.
Proeftijdbeding
Het proeftijdbeding is nietig, nu de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor ten hoogste zes maanden. De verklaring voor recht wordt toegewezen.
Loonvordering
Werkgever heeft erkend dat werkneemster nog recht heeft op het door haar verzochte bruto-equivalent van een bedrag aan achterstallig loon over voormelde periode en op basis van genoemde arbeidsomvang van in totaal € 3.052,55 netto (inclusief 8% vakantietoeslag). Dit bedrag aan loon zal daarom worden toegewezen. De verschuldigdheid van het verzochte bedrag van € 387,36 bruto met betrekking tot de door werkneemster niet-genoten vakantie-uren tijdens het dienstverband heeft werkgever niet betwist. Ook dit verzoek wordt daarom toegewezen. De gevorderde afgifte van loonstroken over de periode 7 januari 2021 tot 1 april 2021 en de eindafrekening zal worden toegewezen.