Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/ werkgever
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 28 september 2021
ECLI:NL:RBGEL:2021:5293
Werknemer heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn belangen zwaarder moeten wegen. Dat hij het leuker vindt om voor X te werken is onvoldoende. Een concrete financiƫle vooruitgang is niet onderbouwd. Concurrentiebeding blijft gehandhaafd.

Feiten

Werknemer is op 12 september 2018 in dienst getreden van werkgever. In de arbeidsovereenkomst staat een non-concurrentie en een relatiebeding. Werknemer heeft zijn dienstverband opgezegd tegen 15 maart 2021. Op 19 april 2021 is werknemer in dienst getreden bij X. Bij brief van 17 juni 2021 heeft werkgever aan werknemer geschreven dat het werknemer tot 1 maart 2022 niet is toegestaan om in dienst te treden/zijn bij X. Werknemer is gesommeerd om zijn dienstverband bij X uiterlijk binnen zeven dagen te beëindigen, bij gebreke waarvan werknemer de contractuele boete(s) zou verbeuren. Bij brief van 22 juni 2021 heeft werknemer ontslag genomen per 24 juni 2021 bij X. Hij is nu in dienst bij Y. Werknemer vordert schorsing van het concurrentie- en relatiebeding.

Oordeel

Tussen partijen is niet in geschil dat werknemer in geval van indiensttreding bij X het concurrentiebeding en/of relatiebeding schendt. Daarom moet beoordeeld worden of de wederzijdse belangenafweging tot (gehele of gedeeltelijke) schorsing moet leiden en zo ja, of aan werknemer een door werkgever te betalen vergoeding toekomt. De belangen tegen elkaar afwegende wordt voorshands niet aannemelijk geacht dat de bodemrechter de bedingen op grond van artikel 7:653 lid 3 onder b BW geheel of gedeeltelijk zal vernietigen. Werknemer heeft niet weersproken dat de eigenaar van X de dochter is van de oud-eigenaar van werkgever. Werknemer erkent ook dat er in het verleden ‘iets’ speelde tussen werkgever en X, waarover afspraken zijn gemaakt. Werknemer heeft ook niet weersproken dat hij de klanten van werkgever goed kent. Dat hij voor zijn huidige werkgever dan wel X stenen vervoert en geen prefab betonplaten, hoeft niet zonder meer te betekenen, zoals werknemer stelt, dat X geen (concurrentie)voordeel kan hebben door de kennis van werknemer van in het bijzonder het klantenbestand en de kunde van werknemer bij transport, laden en lossen van de voor die klanten benodigde materialen. Tegenover het voldoende aannemelijk gemaakte belang van werkgever en alle omstandigheden in aanmerking nemend heeft werknemer, voorlopig geoordeeld, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn belangen zwaarder moeten wegen. Dat hij het leuker vindt om voor X te werken is daarvoor onvoldoende. Een concrete financiële vooruitgang heeft hij weliswaar gesteld maar niet onderbouwd. Ten slotte heeft werknemer ook niet gesteld, laat staan onderbouwd dat hij ernstig wordt benadeeld omdat hij geen andere passende baan kan vinden. Daarom wordt geen aanleiding gezien om het concurrentie/relatiebeding te schorsen, ook niet gedeeltelijk. Ook voor een vergoeding naar billijkheid is geen plaats. De vorderingen worden afgewezen.