Naar boven ↑

Rechtspraak

X/ de vereniging
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 27 september 2021
ECLI:NL:RBAMS:2021:5407
Dat (de leden en het bestuur van) een koor enige invloed willen hebben op de keuze van het repertoire en de na te streven muzikale doelen ligt voor de hand en staat los van het al dan niet bestaan van een gezagsverhouding. Geen sprake van een arbeidsovereenkomst.

Feiten

X is een professioneel dirigent die als zodanig bij (onder meer) vele zangkoren als zodanig werkzaam is of is geweest. Y is een vereniging bestaande uit leden van een (amateur)zangkoor. Op 6 november 2019 zijn partijen een overeenkomst aangegaan. Daarin wordt X aangeduid als ‘dirigente’. Op 18 februari 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het bestuur van werkgever en werkneemster. Bij brief van 26 maart 2021 heeft het bestuur van de vereniging de overeenkomst met X opgezegd tegen 1 juni 2021. Als reden wordt daarin genoemd dat het wederzijds vertrouwen is weggevallen en dat dit een werkbare relatie in de weg staat. X vordert o.a. betaling van salaris.

Oordeel

De kern van het geschil vormt de vraag of de overeenkomst tussen partijen kan worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, hetgeen dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 7:610 BW. De kantonrechter oordeelt als volgt. X diende de werkzaamheden in beginsel persoonlijk te verrichten. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de vereniging op grond van de overeenkomst een vergoeding diende te betalen voor de door X verrichte werkzaamheden. Tussen partijen was in dat kader overeengekomen dat X alleen zou worden betaald indien en voor zover X werkzaamheden heeft verricht. Wat betreft de gezagsverhouding oordeelt de kantonrechter dat het feit dat het bestuur van de vereniging het activiteitenprogramma, de plaats, de tijden en de data van de repetities en optredens vaststelt, een praktische achtergrond heeft. Vooraf zal de betreffende locatie moeten worden gehuurd of in gebruik moeten worden verkregen en zullen alle betrokkenen, waaronder X en de leden van het koor, moeten kunnen weten op welke dagen zij beschikbaar dienen te zijn. Dit heeft weinig van doen met een gezagsverhouding ten aanzien van de uitvoering van de werkzaamheden. Dat (de leden en het bestuur van) een koor enige invloed willen hebben op de keuze van het repertoire en de na te streven muzikale doelen ligt voor de hand en staat los van het al dan niet bestaan van een gezagsverhouding. Uit de overeenkomst blijkt niet dat de vereniging in dat opzicht bindende instructies aan X kan geven. Evenmin is gebleken dat het bestuur en/of de (leden)commissie invloed hebben uitgeoefend of hebben willen uitoefenen die een normaal te achten inspraak van een koor te buiten zou gaan. Daarnaast is nog van belang dat de vereinging een relatief klein koor is, bestaande uit amateurs. Geen van de (bestuurs)leden wordt betaald voor zijn activiteiten. De conclusie is dat van een gezagsverhouding als bedoeld in artikel 7:610 BW geen sprake is geweest, en dat ook de andere elementen van de overeenkomst – de mogelijkheid van X om zich te laten vervangen en de afspraken over wanneer honorarium zou worden betaald en wat dit honorarium zou omvatten – tegengesteld zijn aan hetgeen bij een arbeidsovereenkomst voor de hand zou liggen. Dat betekent dat de overeenkomst tussen partijen niet de kenmerken van een arbeidsovereenkomst bezit. De verzoeken in de hoofdzaak zijn niet toewijsbaar.