Naar boven ↑

Rechtspraak

European Metal Recycling B.V./Van ’t Hof Haven en Industrieservice B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 1 oktober 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:9727
Arbeidsongeval met bulldozer bij het platmaken en stouwen van schroot. Geen sprake van vrijwaring. Gelet op specialistisch werk bij inlener, gebruikmaken van werknemers van inlener en tekortschieten in communicatie, is inlener tekortgeschoten in zorgplicht.

Feiten

Tussen Van ’t Hof Haven en Industrieservice B.V. (hierna: Van ’t Hof), een onderneming gespecialiseerd in het verlenen en ondersteunen van technische diensten en de verhuur van machines, en werknemer heeft sinds 27 mei 2019 een arbeidsovereenkomst bestaan voor de duur van een jaar. Werknemer bekleedde de functie van monteur/machinist en is door Van ’t Hof aan European Metal Recycling B.V. (hierna: EMR) ter beschikking gesteld als rijder (specialistisch werk waarbij met behulp van een bulldozer schroot kon worden platgemaakt en gestouwd). Tussen EMR en Van ’t Hof is geen schriftelijke (raam)overeenkomst van kracht. Opdrachten werden verstrekt en aanvaard per WhatsApp-bericht. In de late avond van 3 oktober 2019 heeft een arbeidsongeval plaatsgevonden in het ruim van een zeeschip gelegen op de werf van EMS. Een weggeschoten stuk schroot is, tijdens vervanging van een defecte bulldozer, tegen de binnenzijde van de linkerknie van werknemer gekomen, met letsel tot gevolg. Van dit ongeval heeft EMR een ‘ongevallen- en incidentenrapport’ (hierna: ongevalsrapport) opgesteld. Hieruit blijkt dat het niet opvolgen van instructies, onveilige plaats/houding, onveilige werklocatie, onvoldoende overleg en het niet uitvoeren van een handeling mogelijk hebben bijgedragen aan het ongeval. Werknemer heeft EMR aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van dit ongeval en heeft EMR daarvoor op 17 juni 2020 gedagvaard (hoofdzaak). EMR heeft bij dagvaarding gevorderd Van ’t Hof te veroordelen aan haar te betalen al hetgeen waartoe EMR in de hoofdprocedure tussen werknemer en EMR wordt veroordeeld om aan werknemer te betalen bij wijze van vrijwaring.

Oordeel

Bij het vonnis van – eveneens – 1 oktober 2021 in de hoofdzaak heeft de kantonrechter geoordeeld dat werknemer op 3 oktober 2019 een arbeidsongeval is overkomen en dat EMR als inlener niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht ex artikel 7:658 lid 1 BW en dat zij mitsdien aansprakelijk is voor de schade die werknemer als gevolg van dit ongeval lijdt en/of zal lijden. Gelet op dit oordeel in de hoofdzaak wordt toegekomen aan de vordering in vrijwaring die EMR op haar beurt heeft ingesteld tegen Van ’t Hof. In dit geval geldt zowel voor EMR, als materiële werkgever, als voor Van ’t Hof, als formele werkgever, een zorgplicht. In deze vrijwaringszaak gaat het om de vraag of Van ’t Hof EMR (geheel of gedeeltelijk) dient te vrijwaren van haar schadevergoedingsplicht jegens werknemer. Het ingenomen standpunt van EMR dat door het ruim lopen te risicovol is, vindt bevestiging in de bevindingen in het ongevalsrapport. Omdat het ruim inmiddels al met een substantiële hoeveelheid metaalschroot was geladen, was er risico op letsel, doordat de chauffeur dan over het schroot zou hebben moeten lopen naar de trap in het scheepsruim. Werknemer had volgens EMR daarom in de cabine van de bulldozer moeten blijven. Terecht geeft EMR aan dat de veiligste plek voor de chauffeur van de bulldozer in het scheepsruim is om in de cabine van de bulldozer te blijven. Precies dat is bij het vervangen van een bulldozer echter niet mogelijk. Het is de kraanmachinist verboden om een machine met een daarin aanwezige persoon te takelen. Op welke wijze Van ’t Hof haar zorgplicht niet is nagekomen jegens werknemer en waarom zij hierdoor (in grote mate) heeft bijgedragen aan het ontstaan van het arbeidsongeval wordt door EMR niet concreet gemaakt, terwijl anderzijds wel kan worden vastgesteld dat EMR is tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens werknemer. De kantonrechter neemt daarin mee dat het beladen van zeeschepen met metaalschroot een van de gebruikelijke werkzaamheden is van EMR en dat het defectraken van een bulldozer die bij die werkzaamheden wordt gebruikt niet uitgesloten is. Bij het vervangen van de defecte bulldozer werd gebruikgemaakt van kraanmachinisten en kraanwerkers in dienst van EMR. Een onderlinge heldere communicatie tijdens de uitvoering van het werk is derhalve van essentieel belang. Behoudens dat EMR heeft aangevoerd dat zij aan iedereen die bij haar komt werken portofoons verstrekt en uitleg geeft hoe daar mee om te gaan, heeft zij verder geen specifieke maatregelen of instructies genoemd. EMR diende als goed werkgever/inlener zorg te dragen voor een helder protocol en bijbehorende veiligheidsinstructie bij het vervangen van een defecte bulldozer uit het ruim van een (deels) geladen schip. Gesteld noch gebleken is echter dat zij aan deze verplichting heeft voldaan. De werknemers van EMR hebben onvoldoende gecommuniceerd en gecontroleerd of werknemer in de cabine van de bulldozer zat, terwijl zij wisten, althans hadden kunnen weten dat hij zich nog in het ruim bevond. Gezien de uitvoering van deze specifieke werkzaamheden op de locatie van EMR is de kantonrechter van oordeel dat van EMR mag worden verwacht dat zij duidelijke instructies aan haar werknemers verstrekt. Die instructies worden daarentegen niet van Van ’t Hof verwacht, omdat zij geen toezicht en leiding heeft over de werknemers van EMR tijdens de uitvoering van deze werkzaamheden. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat Van ’t Hof zou zijn tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht ex artikel 7:658 lid 1 BW, zodat zij evenmin gehouden is bij te dragen in de schadevergoedingsplicht van EMR aan werknemer.