Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/ABN AMRO Bank N.V.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 5 oktober 2021
ECLI:NL:RBAMS:2021:5722
ABN AMRO hoeft oud-werkneemster die aan progressieve MS lijdt geen transitievergoeding van ruim 22.000 euro bruto te betalen vanwege een in de cao geregelde suppletieregeling die haar recht geeft op aanvulling van de WIA-uitkering en premievrije voortzetting van de pensioenopbouw.

Feiten

Werkneemster is op 8 mei 2006 in dienst getreden bij ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO) in de functie van adviseur Contact Center 1. Werkneemster is sinds 14 augustus 2016 ziek. Zij lijdt aan een progressieve vorm van MS. De arbeidsovereenkomst is door ABN AMRO per 1 september 2019 na verleende toestemming door het UWV opgezegd op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid. Op de arbeidsovereenkomst was de ABN AMRO cao (hierna: de cao) van toepassing. De cao bevat een zogenoemde suppletieregeling. Op basis van de Suppletieregeling heeft werkneemster recht op eventuele aanvulling van de WIA-uitkering tot 75% van het loon dat zij in het jaar voorafgaand aan haar arbeidsongeschiktheid verdiende en een premievrije voortzetting van haar pensioenopbouw. Vanaf 12 augustus 2018 ontvangt werkneemster een WGA-uitkering op basis van 72,07% arbeidsongeschiktheid en vanaf 7 januari 2019 een IVA-uitkering op basis van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Bij brief van 13 september 2019 heeft werkneemster aanspraak gemaakt op betaling door ABN AMRO aan werkneemster van de wettelijke transitievergoeding. Bij e-mail van 27 september 2019 heeft ABN AMRO afwijzend gereageerd. Werkneemster verzoekt om toekenning van een transitievergoeding van € 22.383,84.

Oordeel

De kantonrechter is van oordeel dat de Suppletieregeling kwalificeert als een gelijkwaardige voorziening als bedoeld in artikel 7:673b BW (oud). Gezien het toetsingskader van de ‘gelijkwaardige voorziening’ is uitgangspunt of de gekapitaliseerde waarde van de Suppletieregeling op het tijdstip van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gelijkwaardig is aan hetgeen werkneemster aan transitievergoeding zou ontvangen. Uit de door ABN AMRO gemaakte berekening, die werkneemster niet heeft betwist, blijkt dat de premievrije voortzetting van de pensioenopbouw op de einddatum van de arbeidsovereenkomst een gekapitaliseerde potentiële waarde had van € 68.464,00 bruto. Dit bedrag overstijgt de door werkneemster berekende transitievergoeding van € 22.383,84 aanzienlijk. Werkneemster heeft aangevoerd dat zij niet begrijpt waarom zij niet in aanmerking komt voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering van ABN AMRO. Aldus is op zich juist dat werkneemster in inkomen is achteruitgegaan sinds haar arbeidsongeschiktheid. Er is echter geen sprake van dat werkneemster minder krijgt dan waarop zij recht heeft. Afgezien van eventuele emolumenten in het verleden ontvangt werkneemster thans aan uitkering ongeveer evenveel (of zelfs meer) dan het salaris dat zij verdiende voordat ze arbeidsongeschikt werd. In het geval van werkneemster voorziet de Suppletieregeling feitelijk alleen in de financiering van een pensioentoezegging met premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Uit een uitspraak van de Hoge Raad leidt de kantonrechter af dat dat de omstandigheid dat de Suppletieregeling bij werkneemster neerkomt op een uitgestelde voorziening, geen argument is om aan te nemen dat de Suppletieregeling geen gelijkwaardige voorziening is. Ook heeft werkneemster aangevoerd dat het onrechtvaardig voelt dat zij vanwege haar ziekte – progressieve MS – waarschijnlijk niet zal kunnen genieten van de pensioenuitkering. Hoewel de kantonrechter dit begrijpt, leidt dit niet tot een ander oordeel. De conclusie is daarmee dat het verzoek van werkneemster wordt afgewezen.