Naar boven ↑

Rechtspraak

FNsteel B.V./werknemer
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 3 september 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:9656
Geen ontbinding op g-grond. Werknemer heeft uitspraken gedaan onder invloed van psychose. Als dit al tot verstoring heeft geleid, kan niet worden gezegd dat die ernstig en duurzaam is. Verzoek wordt afgewezen.

Feiten

Werknemer is op 1 maart 2018 bij FNsteel B.V. in dienst getreden. FNsteel heeft door Lloyd’s Register een assessment laten uitvoeren in het kader van ISO-certificering. Naar aanleiding hiervan is vervolgens door Lloyd’s een rapport opgesteld. Lloyd’s concludeert in dat rapport dat het managementsysteem van FNsteel niet voldoet aan de vereisten van de normen en dat sprake is van diverse non-conformiteiten. Om die reden heeft Lloyd’s in april 2020 een opvolgende audit gepland. Op 27 januari 2020 was naar aanleiding van de uitkomsten van het rapport van Lloyd’s een gesprek gepland tussen X van FNsteel en werknemer. Tijdens dat gesprek is werknemer onwel geworden. FNsteel heeft werknemer naar huis gebracht en het alarmnummer 112 gebeld. Werknemer is vervolgens per deze datum arbeidsongeschikt gemeld. Nadien is vastgesteld dat werknemer op deze dag in een psychose verkeerde. Met ingang van 1 mei 2021 is werknemer hersteld gemeld. FNsteel verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding.

Oordeel

FNsteel stelt dat zij door de gebeurtenissen op 27 januari 2020 haar vertrouwen in werknemer is verloren. Dat de gang van zaken tijdens en na het gesprek dat op 27 januari 2020 tussen werknemer en X heeft plaatsgevonden opmerkelijk is geweest, staat wel vast. Werknemer heeft over deze dag tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat hij de grip op de realiteit kwijt was. Die dag handelde hij namelijk – naar later duidelijk is geworden – vanuit een psychose. Hij kan daardoor nu niet meer goed terughalen wat er die dag is gezegd en gebeurd. Zo weet hij ook niet meer of hij tegen X heeft gezegd dat hij tijdens de audit zaken bewust verkeerd heeft laten lopen. Werknemer sluit echter niet uit dat hij dit gezegd heeft. Als hij dit al gezegd heeft, berust die uitspraak volgens werknemer niet op de waarheid. Werknemer heeft voorts tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij niet de indruk heeft dat bij hem tijdens de audit, dus op 14 en 15 januari 2020, al sprake was van een psychose of een aanloop daarnaartoe. Voor aanvang van het assessment was er al sprake van verbeterpunten voor FNsteel. Tegenover deze stellingen van werknemer heeft FNsteel niets in het geding gebracht waaruit blijkt dat werknemer op 14 en 15 januari 2020 daadwerkelijk opzettelijk de audit verkeerd heeft laten lopen en ter zitting heeft FNsteel desgevraagd verklaard dat zij geen aanwijzingen heeft dat werknemer daadwerkelijk uitlatingen heeft gedaan die de audit negatief hebben beïnvloed. Het komt er al met al dus op neer dat FNsteel de door haar gestelde verstoorde arbeidsverhouding voornamelijk baseert op het feit dat werknemer tijdens het gesprek op 27 januari 2020 heeft gezegd dat hij enkele weken eerder opzettelijk een audit in de soep heeft laten lopen, niet dat werknemer dat ook daadwerkelijk gedaan heeft. Tussen partijen staat voorts niet ter discussie dat werknemer deze en eventuele andere vreemde of ongepaste uitlatingen heeft gedaan onder invloed van een psychose en dat hem daar geen enkel verwijt van kan worden gemaakt. Zo er hierdoor al een verstoorde arbeidsverhouding zou zijn ontstaan, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gezegd dat van FNsteel in verband hiermee in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat FNsteel op 27 januari 2020 niet wist wat er met werknemer aan de hand was, doet aan het voorgaande niet af. Voor zover FNsteel nog heeft gesteld dat de verhoudingen tijdens de onderhandelingen over een eventuele beëindiging van de arbeidsovereenkomst verder zijn verslechterd, is daarvan niet gebleken. De enkele stelling van werknemer dat zijn arbeidsongeschiktheid mede is veroorzaakt door zijn werksituatie is onvoldoende om een dergelijke verslechtering aan te nemen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is op dit moment niet gebleken dat sprake van is van een ernstige en duurzame verstoring van de verhouding van partijen als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW, die niet hersteld kan worden. Dat betekent dat het verzoek van FNsteel wordt afgewezen wegens het ontbreken van een redelijke grond, zoals hiervoor omschreven.