Rechtspraak
Feiten
Werknemer is werkzaam geweest bij BV X. Op 2 juli 2012 is werknemer uitgevallen wegens ziekte. Na afloop van de wachttijd is hem een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Bij besluit van 2 juli 2014 is deze WGA-uitkering aan BV X toegerekend. Deze BV is op 21 juni 2016 failliet verklaard. De bedrijfsvoering is op 12 juli 2016 overgegaan naar appellante, die eigenrisicodrager is voor de Wet WIA. Om die reden heeft het UWV vastgesteld dat appellante het risico draagt voor de WGA-uitkering van werknemer. Het UWV heeft bij besluit van 30 september 2016 vastgesteld dat appellante aan het UWV een bedrag van € 2.502,24 moet betalen wegens de door het UWV aan werknemer betaalde uitkering over de periode van 1 tot en met 30 september 2016. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Slechts een deel van de bedrijfsactiviteiten en een deel van het personeel van BV X is overgegaan naar appellante. Dit betekent volgens haar dat zij geen eigenrisicodrager voor werknemer is geworden en dat de uitkering moet worden verhaald op de garantsteller. Bij besluit van 26 januari 2017 heeft het UWV de WGA-uitkering vanaf 12 juli 2016 aan appellante toegerekend. Ook tegen dit besluit heeft zij bezwaar gemaakt. Het UWV heeft beide bezwaren ongegrond verklaard en overwogen dat uit de van de Belastingdienst ontvangen gegevens is gebleken dat appellante voor 100% opvolger is van BV X. Dit betekent dat appellante eigenrisicodrager voor werknemer is geworden, aldus het UWV. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Ook de rechtbank heeft overwogen dat de gehele onderneming van BV X is overgegaan op appellante. Zij is daarom terecht aangemerkt als eigenrisicodrager ten aanzien van de uitkering van werknemer. Partijen verschillen in hoger beroep van mening over het antwoord op de vraag of BV X, dat eigenrisicodrager was voor werknemer, geheel dan wel gedeeltelijk is overgegaan.
Oordeel
Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de bedrijfsactiviteiten van het (gefailleerde) BV X en appellante in grote mate overeenkomen, dat de bedrijfsactiviteiten van appellante in hetzelfde pand plaatsvinden als waarin BV X was gevestigd, dat appellante de nog niet afgeronde opdrachten van BV X heeft overgenomen, dat appellante de inventaris, de handgereedschappen en de goodwill van BV X heeft overgenomen en dat appellante reeds kort na het faillissement BV X heeft overgenomen. Voorts heeft appellante 18 van de 29 werknemers van BV X in dienst genomen. Op grond van deze gegevens wordt geoordeeld dat er sprake is geweest van een volledige overgang van BV X naar appellante en dat het UWV appellante terecht met toepassing van artikel 84, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA als eigenrisicodrager van werknemer heeft aangemerkt. Dat niet alle personeelsleden van BV X zijn overgegaan, leidt, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, niet tot een andere conclusie. Voor het standpunt van appellante dat slechts sprake is van een volledige overname van een bedrijf indien een bedrijf in zijn geheel, inclusief alle werknemers, wordt overgenomen door verkrijger is geen steun te vinden in de van toepassing zijnde regelgeving en de daarop gebaseerde rechtspraak. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.