Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 4 november 2021
ECLI:NL:GHSHE:2021:3322
Feiten
Werkgever biedt thuiszorg aan mensen in de regio Brabant. Zij is gespecialiseerd in de zorg voor mensen van Turkse en Marokkaanse afkomst. Werkneemster is op 19 april 2016 bij werkgever in dienst getreden. Werkneemster heeft zich op 7 mei 2018 ziek gemeld. Zij is op 27 februari 2019 bevallen. Op 22 mei 2019 is werkneemster gezien door de bedrijfsarts. Op 19 juni 2019 heeft de bedrijfsarts geadviseerd te starten met re-integratie. Op 2 juli 2019 heeft werkneemster aangegeven haar re-integratiewerk niet langer te kunnen verrichten in verband met rugklachten. Zij is vervolgens opgeroepen om naar de bedrijfsarts te komen op 12 juli 2019. Op 10 juli 2019 heeft werkneemster telefonisch contact gehad met de casemanager van de verzuimbegeleidingsdienst van werkgever. Werkneemster wilde mededelen dat zij niet in staat was om op 12 juli 2019 naar de bedrijfsarts te gaan. Bij brief van 12 juli 2019 is werkneemster op staande voet ontslagen wegens – kort gezegd – ernstige bedreiging van de casemanager. Werkneemster heeft onder meer de kantonrechter verzocht om het ontslag te vernietigen. In de tussenbeschikking van 12 december 2019 heeft de kantonrechter werkgever in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat werkneemster op 10 juli 2019 bedreigingen heeft geuit tegen de casemanager. In de eindbeschikking van 22 februari 2021 heeft de kantonrechter, na getuigen te hebben gehoord en nadat partijen zich over en weer over de gehouden enquêtes hadden uitgelaten, geconcludeerd dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Werkneemster heeft – na intrekking van haar primaire verzoek tot herstel van het dienstverband – het hof onder meer verzocht om werkgever te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding, de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding.
Oordeel
Het hof verstaat de omvang van het hoger beroep aldus dat enkel de bewijswaardering, weergegeven in de eindbeschikking, in hoger beroep is voorgelegd. De inhoud van de tussenbeschikking ligt om die reden dan ook niet in hoger beroep voor.
De eerste beroepsgrond is gericht tegen de overweging dat de verklaring van de casemanager voldoende wordt versterkt door het feit dat zij de bedreiging aan de politie heeft gemeld. Het hof verwijst allereerst naar de onder ede afgelegde getuigenverklaring van de casemanager. Deze verklaring komt overeen met hetgeen zij eerder schriftelijk heeft verklaard. Werkneemster wijst erop dat de verklaring erg kort is en zeer summier zodat het geen verbazing wekt dat haar getuigenverklaring haar schriftelijke verklaring bevestigt. Naar het oordeel van het hof doet dit niet af aan de bewijskracht van de verklaringen. Het gaat hier om een kort telefoongesprek dat is begonnen met, zo beamen beide gesprekspartners, de mededeling van werkneemster dat zij niet op de afspraak van de bedrijfsarts kan verschijnen. Dat de casemanager vervolgens heeft gewezen op de sancties bij het niet-verschijnen, is eveneens door beiden bevestigd. Vervolgens is, aldus de casemanager, werkneemster haar gaan bedreigen en nadat zij om een bevestiging van de bedreiging heeft gevraagd en die heeft gekregen, heeft zij het gesprek beëindigd. Meer details over de inhoud van het telefoongesprek zijn er dan niet te geven. Onder deze omstandigheden maakt het feit dat de verklaring kort en summier is deze niet onbetrouwbaar. Daar komt bij dat de casemanager geen werkneemster is van werkgever; zij is werkzaam voor het verzuimbemiddelingsbedrijf en heeft in zoverre een onafhankelijke positie. In haar beroepschrift heeft werkneemster gewezen op het feit dat niet is komen vast te staan dat de casemanager de bedreiging wel bij de politie heeft gemeld. Werkgever heeft bij verweerschrift in hoger beroep een kopie overgelegd van de ontvangstbevestiging die de casemanager van de politie heeft gekregen. Daarmede komt, naar het oordeel van het hof, de melding voldoende vast te staan. Dat de casemanager enkel een melding heeft gedaan en geen aangifte, maakt haar verklaring evenmin onbetrouwbaar. Werkgever heeft aangegeven dat de politie enkel een aangifte accepteert van een bedreiging met de dood, ernstig letsel of verkrachting.
De tweede beroepsgrond is gericht tegen de overweging waarin de kantonrechter aangeeft dat de getuigenverklaring van werkneemster, waarin zij het relaas van de casemanager bestrijdt, geen reden is om aan dit relaas te twijfelen. De getuigenverklaring van haar echtgenoot doet er evenmin aan af. Hierin wijst werkneemster op het door haar geleverde tegenbewijs. Zij stelt dat er slechts twee mensen kunnen verklaren over de inhoud van het telefoongesprek en dat het bewijs niet mag worden aangenomen op basis van slechts één getuigenverklaring. Zij heeft zelf onder ede een andersluidende verklaring afgelegd. Bovendien kan volgens werkneemster aan de verklaring van haar echtgenoot ook niet zomaar voorbij gegaan worden. Gelet echter op het feit dat de casemanager geen belang heeft bij het afleggen van een meinedige verklaring en dat haar verklaring wordt ondersteund door haar melding bij de politie en haar melding aan werkgever, is het hof met de kantonrechter van oordeel dat met een voldoende mate van zekerheid in rechte kan worden vastgesteld dat werkneemster de casemanager in het bewuste telefoongesprek heeft bedreigd. De verklaring van werkneemster zelf en die van haar echtgenoot, die het telefoongesprek tussen werkneemster en de casemanager niet heeft gehoord, doen daar onvoldoende aan af. Het hof concludeert dat de eerste twee beroepsgronden niet slagen en bekrachtigt de bestreden beschikking.