Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 15 juli 2021
ECLI:EU:C:2021:600
Feiten
Het hoofdgeding in zaak C-152/20 betreft de bezoldiging van twee Roemeense vrachtwagenchauffeurs, DG en EH, die in dienst waren van SC Gruber Logistics SRL. In hun individuele arbeidsovereenkomsten, die zowel in het Roemeens als in het Italiaans zijn opgesteld, was bepaald dat de in die overeenkomsten opgenomen bedingen werden aangevuld door de bepalingen van wet nr. 53/2003. Voorts bepaalden deze overeenkomsten dat de geschillen die daarop betrekking hebben, werden beslecht door de materieel en territoriaal bevoegde rechter. Wat de plaats van arbeid betreft, werd in de overeenkomsten bepaald dat ‘[d]e werkzaamheden [plaatsvonden] bij de/het (afdeling/werkplaats/bureau/dienst/onderafdeling) Transport op de maatschappelijke zetel/vestiging/andere georganiseerde plaats van arbeid, in de gemeente Oradea [(Roemenië)], en volgens de delegatie/detachering bij de zetels of vestigingen van huidige en toekomstige klanten of leveranciers, op alle adressen in binnen- en buitenland waar het door de werknemer voor zijn taken gebruikte voertuig nodig [was], of op enige andere plaats waar deze vervoerswerkzaamheden [uitvoerde]’. DG en EH hebben SC Gruber Logistics voor de Tribunal Mureș (rechter in eerste aanleg Mureș, Roemenië) gedagvaard en gevorderd dat deze vennootschap wordt veroordeeld tot betaling van het verschil tussen het daadwerkelijk ontvangen loon en het minimumloon waarop zij volgens hen recht zouden hebben op grond van de Italiaanse wetgeving inzake het minimumloon in de wegvervoerssector. Dit loon is vastgesteld in de collectieve arbeidsovereenkomst voor de vervoerssector in Italië.
DG en EH betogen dat de Italiaanse wettelijke regeling inzake het minimumloon krachtens artikel 8 van de Rome I-verordening van toepassing is op hun individuele arbeidsovereenkomsten. Hoewel deze overeenkomsten in Roemenië zijn gesloten, hebben zij hun arbeid gewoonlijk verricht in Italië. Zij stellen dat de plaats van waaruit zij hun opdrachten hebben uitgevoerd, waar zij hun instructies hebben ontvangen en waar zij na afloop van hun opdrachten zijn teruggekeerd, zich in Italië bevond. Bovendien zijn de meeste van hun vervoerstaken in Italië uitgevoerd. Gelet op het arrest van 15 maart 2011, Koelzsch (C-29/10, ECLI:EU:C:2011:151), betogen DG en EH dat zij recht hebben op het in Italië toepasselijke minimumloon. Volgens SC Gruber Logistics werkten DG en EH voor haar met in Roemenië geregistreerde vrachtwagens en op basis van vervoersvergunningen die overeenkomstig de desbetreffende Roemeense wetgeving waren afgegeven, waarbij alle instructies door SC Gruber Logistics werden gegeven en de activiteiten van DG en EH in Roemenië werden georganiseerd. Deze vennootschap betoogt derhalve dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbeidsovereenkomsten aan de Roemeense wetgeving moeten worden onderworpen.
Oordeel
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.
Rechtskeuze en objectief dwingend recht: samenloop
Met zijn eerste en tweede vraag in de zaken C-152/20 en C-218/20, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 8 van de Rome I-verordening aldus moet worden uitgelegd dat wanneer het recht dat de individuele arbeidsovereenkomst beheerst, door de partijen bij die overeenkomst is gekozen en dat recht verschilt van het krachtens artikel 8, lid 2, 3 of 4, toepasselijke recht, de toepassing van laatstgenoemd recht moet worden uitgesloten, en zo ja, in welke mate.
Lid 1 van dit artikel bepaalt dat een individuele arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen overeenkomstig artikel 3 van die verordening hebben gekozen, maar dat deze keuze er niet toe mag leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken krachtens het recht dat overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van dit artikel toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van een rechtskeuze. Zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie opmerkt, vereist de juiste toepassing van artikel 8 Rome I-verordening dus ten eerste dat de nationale rechter het recht aanwijst dat bij gebreke van een rechtskeuze toepasselijk zou zijn geweest en dat hij op basis van dit recht de regels vaststelt waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken, en ten tweede dat de rechter het niveau van bescherming dat aan de werknemer op grond van deze regels wordt geboden, vergelijkt met dat van het door de partijen gekozen recht. Indien het beschermingsniveau waarin deze regels voorzien hoger ligt, moeten die regels worden toegepast.
In casu lijkt de verwijzende rechter van oordeel te zijn dat, gelet op de plaatsen waar de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde chauffeurs gewoonlijk hun arbeid verrichtten, bepaalde bepalingen van het Italiaanse en het Duitse recht inzake het minimumloon krachtens artikel 8 lid 1 Rome I-verordening van toepassing kunnen zijn in plaats van het door de partijen bij de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde arbeidsovereenkomsten gekozen Roemeense recht. Met betrekking tot de vraag of dergelijke regels bepalingen zijn waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken in de zin van artikel 8 lid 1 Rome I-verordening, moet worden opgemerkt dat uit de bewoordingen van dat artikel duidelijk blijkt dat deze vraag moet worden beoordeeld overeenkomstig het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van toepassing zou zijn geweest. De verwijzende rechter zal dus zelf de betrokken nationale regel moeten uitleggen. Bij gebreke van criteria in de Rome I-verordening om te bepalen of een nationale regel een bepaling dan wel een recht vormt in de zin van artikel 8 lid 1 van deze verordening, moet er bovendien op worden gewezen dat, wanneer uit nationaal recht volgt dat regels in overeenkomsten die niet noodzakelijkerwijs binnen het bereik van het recht vallen, een dwingend karakter hebben, het aan de rechter staat om deze keuze te eerbiedigen, zelfs indien zij verschilt van de keuze die in zijn nationale recht is gemaakt. Wat meer bepaald de regels inzake het minimumloon betreft van het land waar de werknemer zijn arbeid gewoonlijk heeft verricht, kunnen deze regels in beginsel worden aangemerkt als ‘bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken op grond van het recht dat (...) toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van een rechtskeuze’ in de zin van artikel 8, lid 1, van de Rome I‑verordening, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in de punten 72 en 107 van zijn conclusie.
Conclusie
Gelet op het voorgaande moet op de eerste en de tweede vraag in de zaken C-152/20 en C-218/20 worden geantwoord dat artikel 8 lid 1 Rome I-verordening aldus moet worden uitgelegd dat wanneer het recht dat de individuele arbeidsovereenkomst beheerst, door de partijen bij die overeenkomst is gekozen en dat recht verschilt van het krachtens artikel 8, lid 2, 3 of 4, toepasselijke recht, de toepassing van laatstgenoemd recht moet worden uitgesloten, met uitzondering van ‘bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken’ op grond van dat recht in de zin van artikel 8 lid 1 van die verordening, waartoe in beginsel regels inzake minimumlonen kunnen behoren.
Vrije rechtskeuze bij modelovereenkomst en verplichte contractsinhoud
Wat vervolgens het vereiste betreft dat de keuze van het toepasselijke recht vrij moet zijn in de zin van artikel 3 Rome I-verordening, stelt de verwijzende rechter vast dat uit een gezamenlijke lezing van artikel 2 lid 1 Besluit nr. 64/2003 en het daarbij gevoegde standaardformulier voor een individuele arbeidsovereenkomst blijkt dat de partijen bij de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde overeenkomsten in strijd met dit vereiste verplicht zijn het Roemeense recht te kiezen. In haar schriftelijke opmerkingen betoogt de Roemeense regering evenwel dat het nationale recht niet voorziet in een verplichting om het Roemeense recht te kiezen als het op de overeenkomst toepasselijke recht. Alleen wanneer de partijen deze keuze uit eigen beweging maken, moeten zij zich houden aan Besluit nr. 64/2003 en hun overeenkomst opstellen overeenkomstig het bij dit besluit gevoegde standaardformulier, hetgeen de aanvullende toepassing van het Roemeense arbeidswetboek impliceert. De opneming van een beding als het door de verwijzende rechter genoemde beding is dan ook een gevolg van de keuze van de partijen voor het op de overeenkomst toepasselijke recht, aldus de Roemeense regering. Het staat uitsluitend aan de nationale rechter om te beoordelen of deze uitlegging van het nationale recht juist is en dus om na te gaan of de opneming in de overeenkomst van een beding dat voorziet in de toepassing van het Roemeense arbeidswetboek, geen verplichting voor de partijen inhoudt om het Roemeense recht te kiezen, maar een bevestiging vormt van de impliciete en vrije keuze van die partijen voor dit recht overeenkomstig artikel 3 Rome I-verordening. Wat ten slotte de vraag betreft of op basis van de omstandigheid dat de werkgever in een vooraf opgestelde arbeidsovereenkomst een beding opneemt dat voorziet in de keuze van het toepasselijke recht, kan worden vastgesteld dat er in strijd met artikel 3 Rome I-verordening geen sprake is van een vrije rechtskeuze, moet worden opgemerkt dat deze verordening het gebruik van vooraf door de werkgever opgestelde standaardbepalingen niet verbiedt. De rechtskeuze in de zin van deze bepaling kan worden gedaan door in te stemmen met een dergelijk beding en wordt niet in twijfel getrokken door het enkele feit dat deze keuze wordt gemaakt op basis van een door de werkgever opgesteld en in de overeenkomst opgenomen beding.
Conclusie
Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag in de zaken C-152/20 en C-218/20 worden geantwoord dat artikel 8 Rome I-verordening aldus moet worden uitgelegd dat (1) de partijen bij een individuele arbeidsovereenkomst worden geacht vrij te zijn in de keuze van het op die overeenkomst toepasselijke recht, zelfs wanneer de contractuele bepalingen krachtens een nationale bepaling worden aangevuld door het nationale arbeidsrecht, mits de betrokken nationale bepaling de partijen niet verplicht om het nationale recht te kiezen als het op de overeenkomst toepasselijke recht, en (2) voorts de partijen bij een individuele arbeidsovereenkomst worden geacht in beginsel vrij te zijn in de keuze van het op die overeenkomst toepasselijke recht, ook al is het contractuele beding betreffende die keuze opgesteld door de werkgever en is de rol van de werknemer beperkt tot het aanvaarden daarvan.