Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Laco Recreatie B.V.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 18 januari 2022
ECLI:NL:GHSHE:2022:100
Ex-werknemer is aansprakelijk voor de naheffingsaanslag loonbelasting die aan zijn ex-werkgever is opgelegd voor de reiskostenvergoeding uitbetaald aan de holding van ex-werknemer.

Feiten

Ex-werknemer is gedurende de periode van 1 mei 2007 tot en met 30 juni 2015 in dienst geweest van Laco Recreatie B.V. (hierna: Laco), laatstelijk in de functie van algemeen manager commerciële zaken. In de arbeidsovereenkomst is een vervoersplan opgenomen. Bij brief van 28 mei 2018 heeft de Belastingdienst aangekondigd dat zij voornemens is aan Laco een naheffingsaanslag loonheffingen op te leggen over de jaren 2013 tot en met 2015 ten bedrage van in totaal € 18.767,00, tenzij ex-werknemer kan aantonen dat hij in de betreffende jaren jaarlijks meer dan 34.539 zakelijke kilometers heeft gereden. Laco heeft ex-werknemer op 29 juni 2018 onder verwijzing en bijvoeging van voormelde brief van de Belastingdienst meegedeeld dat hij de door de Belastingdienst op te leggen naheffing loonbelasting verschuldigd is, tenzij hij een rittenregistratie of andere gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij voor Laco jaarlijks meer dan 34.529 zakelijke kilometers reed. Ex-werknemer heeft aan dat verzoek geen gevolg gegeven. Op 6 september 2018 heeft de Belastingdienst aan Laco over de jaren 2013 tot en met 2015 een naheffingsaanslag loonbelasting van € 18.767,00 opgelegd, vermeerderd met € 2.913,00 aan belastingrente. In eerste aanleg heeft de rechter de vordering van Laco dat ex-werknemer veroordeeld moest worden tot betaling van de naheffingsaanslag loonbelasting en de belastingrente, toegewezen.

Oordeel

Tussen partijen staat vast dat de afspraak is gemaakt dat Holding de Schansenberm B.V. maandelijks een factuur aan Laco stuurde voor een vast bedrag aan reiskosten. Naar aanleiding van deze uitbetaalde reiskostenvergoedingen heeft de Belastingdienst op 6 september 2018 een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd. De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag voor wiens rekening de door de Belastingdienst opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting dient te komen. Naar het oordeel van het hof heeft ex-werknemer onvoldoende onderbouwing aangeleverd voor zijn stelling dat tussen partijen was afgesproken dat ex-werknemer recht had op een door Laco te betalen volledige nettoreiskostenvergoeding. Dat in de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat kostenvergoedingen door Laco volgens de fiscale regelgeving worden toegekend, brengt zonder redengevende toelichting evenmin met zich dat ex-werknemer erop mocht vertrouwen dat een naheffingsaanslag voor rekening en risico van Laco dient te blijven. Ex-werknemer wist dat de maandelijks door zijn holding aan Laco gedeclareerde reiskostenvergoeding hoger was dan geoorloofd was op basis van het fiscaal maximaal onbelaste bedrag van € 0,19 per kilometer (welk bedrag ook vermeld staat in de ‘reiskosten- en leaseautoregeling’). Bovendien heeft ex-werknemer naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de enkele vastlegging van zijn afspraken in de digitale agenda van Laco beschouwd kan worden als een deugdelijke rittenadministratie. Ex-werknemer had kunnen en moeten weten dat het bijhouden van zakelijk voor Laco gereden kilometers uit fiscaal oogpunt voor hem van belang was. Het hof neemt daarbij mede de hoogte van de vergoeding in aanmerking die maandelijks aan zijn holding werd betaald (afgezet tegen de maximaal onbelaste kilometervergoeding van € 0,19) en de omstandigheid dat ex-werknemer op enig moment zijn auto in privé is gaan rijden. Hierdoor wist ex-werknemer dat de zakelijke rechtvaardiging voor het verzenden van maandelijkse reiskostendeclaraties vanuit zijn holding wegviel. De verantwoordelijkheid voor het bijhouden van een zakelijke kilometeradministratie lag dus bij ex-werknemer (en diens holding). Ex-werknemer voert tot slot nog aan dat door nalaten van Laco de naheffingaanslag van de Belastingdienst formele rechtskracht heeft gekregen. Naar het oordeel van het hof had het op de weg van ex-werknemer gelegen om – voor zover aanwezig – nadere gegevens aan te leveren bij Laco ter voorkoming of beperking van de voorgenomen naheffingsaanslag, dan wel erop te wijzen dat deze gegevens zich bij Laco bevonden. Ex-werknemer heeft echter geen enkele medewerking gegeven aan dit redelijke verzoek van Laco. De conclusie luidt dat ex-werknemer als belastingplichtige gehouden is tot voldoening aan de vordering van Laco.