Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 28 januari 2022
ECLI:NL:RBROT:2022:711
Feiten
Bij tussenvonnis van 3 september 2021 heeft de kantonrechter Coolblue B.V. toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat werknemer op 28 april 2021, op de heenreis naar en/of de terugreis van plaats X, een of meer joints heeft gerookt in de bedrijfsbus van Coolblue. Er zijn vijf getuigenverklaringen afgelegd. Werknemer heeft zelf in contra-enquête verklaard geen joint gerookt te hebben in de bedrijfsbus.
Oordeel
De kantonrechter stelt vast dat zowel getuige 1 als 2 heeft verklaard dat werknemer op 28 april 2021 op de heenweg naar plaats X in de bedrijfsbus van Coolblue een joint heeft opgestoken en deze in zijn geheel in de bus heeft opgerookt. Deze verklaringen sluiten op dit punt aan op hetgeen de teamleider, getuige 5, heeft verklaard, namelijk dat getuige 1 en 2 na terugkomst op het depot aan hem hebben verteld dat werknemer op de heenweg een joint had gerookt in de bedrijfsbus. De verklaringen van getuige 1, 2 en 5 sluiten bovendien aan op hun reeds eerder door Coolblue in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen van 28 april 2021. Het enkele feit dat getuige 1 ten overstaan van de rechter heeft verklaard dat werknemer vooraf toestemming zou hebben gevraagd om een joint op te steken en deze passage in de verklaringen van 28 april en 29 juli 2021 onbenoemd heeft gelaten maken zijn verklaringen naar het oordeel van de kantonrechter niet minder betrouwbaar, temeer daar zijn verklaringen op de meest essentiële punten overeenkomt met de verklaringen van de overige getuigen. Tegenover de verklaringen van getuige 1, 2 en 5 staat slechts de verklaring van werknemer zelf, waarin hij aangeeft geen joint te hebben gerookt in de bus. Deze enkele verklaring is van onvoldoende gewicht om de andersluidende verklaringen van getuige 1, 2 en 5 te ontkrachten. Naar het oordeel van de kantonrechter is hiermee voldoende aannemelijk geworden dat werknemer op 28 april 2021 op de heenreis naar plaats X in de bedrijfsbus een joint heeft gerookt. Ten aanzien van de terugreis hebben slechts getuige 3 en 4 verklaard. In tegenstelling tot getuige 3 – die heeft verklaard dat werknemer op de terugreis een joint heeft opgerookt in de bedrijfsbus – heeft getuige 4 verklaard dat er in zijn bijzijn geen joint is gerookt in de bus, waarbij in aanmerking wordt genomen dat getuige 4 de gehele terugweg in de bus heeft gezeten. Gelet op de tegenstrijdigheden in de verklaringen is onvoldoende komen vast te staan dat werknemer (ook) op de terugreis een joint heeft gerookt in de bedrijfsbus. Daaraan doet echter niet af dat ten aanzien van de heenreis naar plaats X wel in voldoende mate is gebleken dat werknemer een joint heeft gerookt in de bedrijfsbus. Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat Coolblue is geslaagd in het leveren van bewijs van haar stelling. Het feit dat voldoende is komen vast te staan dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan drugsgebruik onder werktijd is naar het oordeel van de kantonrechter dermate ernstig van aard dat dit kwalificeert als een dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Coolblue een strikt zerotolerancebeleid hanteert ten aanzien van drugsgebruik onder werktijd en dat overtreding van dit beleid leidt tot ontslag op staande voet. Daarnaast is in dat tussenvonnis reeds geoordeeld dat aan de overige uit artikel 7:677 lid 1 BW voortvloeiende formele vereisten voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet is voldaan. De conclusie is dan ook dat de arbeidsovereenkomst door het door Coolblue aan werknemer gegeven ontslag op staande voet op 29 april 2021 rechtsgeldig is geëindigd. De door werknemer verzochte billijke vergoeding en de vergoeding wegens onregelmatige opzegging worden daarom afgewezen.