Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 27 oktober 2021
ECLI:NL:RBROT:2021:13366
Feiten
Werkneemster is sinds 1 maart 2018 in dienst van Stroomopwaarts, laatstelijk in de functie van medewerker Uitkeringsadministratie. Bij haar indiensttreding heeft werkneemster de Gedragscode Integriteit en de ambtseed/-belofte ondertekend. Op 25 maart 2021 heeft werkneemster de ambtsbelofte mondeling afgelegd. Bij brief van 20 januari 2020 heeft werkneemster een schriftelijke berisping gekregen wegens, kort gezegd, het niet nemen van verantwoordelijkheid in de werkzaamheden. Op 25 november 2020 heeft de leidinggevende van werkneemster getracht een chocoladeletter te bezorgen bij werkneemster. Werkneemster bleek niet thuis te zijn. De leidinggevende zag echter wel een (Poolse) man met behulp van een sleutel de woning ingaan, terwijl Stroomopwaarts in de veronderstelling verkeerde dat werkneemster alleenstaand was. De leidinggevende heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met werkneemster, die verklaarde dat zij vanwege haar gezondheidstoestand bij een vriendin verbleef. Op 28 januari 2021 heeft de leidinggevende een ‘beterschapsbloemetje’ laten bezorgen bij werkneemster. In een telefoongesprek met de leidinggevende een dag later gaf werkneemster te kennen dat zij geen bloemen had ontvangen. Op 2 februari 2021 is de leidinggevende op huisbezoek gegaan bij werkneemster. Werkneemster werd echter niet aangetroffen op haar woonadres. Volgens werkneemster was zij ten tijde van het huisbezoek bij de fysiotherapeut. Daarop heeft de leidinggevende in een ‘indringend’ telefoongesprek met werkneemster te kennen gegeven dat zij het gevoel had dat werkneemster niet eerlijk was over haar verblijfplaats. Naar aanleiding van een ontvangen melding dat werkneemster al langere tijd bij haar ouders, die een bijstandsuitkering ontvangen, verblijft, is op 2 maart 2021 aan werkneemster meegedeeld dat zij tot nader order wordt geschorst in verband met een onderzoek naar mogelijke uitkeringsfraude. Bij brief van 9 maart 2021 is de schorsing opgeheven en is aan werkneemster een officiële waarschuwing gegeven. Bij brief van 18 mei 2021 heeft Stroomopwaarts de moeder van werkneemster uitgenodigd voor een gesprek op 31 mei 2021 over mogelijkheden voor bemiddeling naar werk in het kader van de bijstandsuitkering. Werkneemster heeft op 31 mei 2021 de collega met wie het gesprek met haar moeder zou plaatsvinden aangeboden om tijdens het gesprek als tolk op te treden. Daarbij heeft werkneemster haar collega verzocht om niet haar naam in de rapportage op te nemen, maar slechts te vermelden dat ‘een dochter’ heeft vertaald. De collega heeft bij e-mailbericht van 2 juni 2021 melding gedaan van dit voorval. Naar aanleiding hiervan heeft op 16 juni 2021 een gesprek plaatsgevonden tussen de leidinggevende, de HR-adviseur en werkneemster. Werkneemster heeft in dat gesprek verklaard niet te begrijpen wat ze fout heeft gedaan, aangezien zij uiteindelijk niet heeft getolkt. Op 5 juli 2021 heeft werkneemster tijdens een gesprek verklaard dat zij het gedrag van haar collega oncollegiaal vindt. Stroomopwaarts verzoekt de arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden onder meer wegens een verstoorde arbeidsverhouding.
Oordeel
Vast staat dat werkneemster, nadat er eind november 2020 en in de periode daarna groeiende twijfels waren ontstaan over haar verblijfplaats, steeds heeft gezegd dat zij op het door haar opgegeven adres woonde. Achteraf is gebleken dat zij in december 2020 de sleutels van haar (huur)woning heeft ingeleverd bij de verhuurder. Toch heeft werkneemster op twee momenten nadien, namelijk eind januari 2021, toen er bloemen werden bezorgd, en in februari 2021, toen werkneemster zei dat ze ten tijde van het huisbezoek bij de fysiotherapeut was, tegen haar leidinggevende gezegd dat ze op die plek woonde, terwijl dat niet waar was. Vervolgens heeft Stroomopwaarts bij brief van 9 maart 2021 werkneemster een ‘strenge’ officiële waarschuwing gegeven, vanwege het feit dat zij in de periode daarvoor vragen over haar verblijf tijdens ziekte niet eerlijk heeft beantwoord. Daarbij is werkneemster te verstaan gegeven dat het vertrouwen van Stroomopwaarts in haar als ambtenaar een flinke deuk heeft gekregen en dat zij alles in het werk zal moeten stellen om het vertrouwen te herwinnen. In diezelfde periode heeft zij in maart mondeling de ambtsbelofte afgelegd in handen van de directeur van Stroomopwaarts. Nog geen twee maanden later, op 31 mei 2021, heeft werkneemster een collega aangeboden om in een gesprek met haar moeder als tolk op te treden en heeft zij die collega verzocht om in een rapportage van dat gesprek haar personalia niet op te nemen, maar het slechts te beperken tot ‘een dochter’. Het verzoek om haar naam uit het rapport te laten was omdat zij het tolken voor haar teamleider verborgen wilde houden, teneinde ‘gezeur’ van de teamleider te voorkomen, zo heeft werkneemster op de zitting desgevraagd verklaard. Hiermee heeft werkneemster dus (opnieuw) afbreuk gedaan aan haar integriteit.
Dit alles, in combinatie met het feit dat werkneemster niet inziet dat sprake is van niet-integer handelen, dat zij in dat standpunt volhardt en zelfs vindt dat haar collega oncollegiaal heeft gehandeld, terwijl van werkneemster als ambtenaar een hoge mate van integriteit verwacht mag worden en het voor haar, gelet op de strenge officiële waarschuwing en de gesprekken die met haar zijn gevoerd, duidelijk was dat het vertrouwen van Stroomopwaarts in haar onder druk stond en dat zij zich geen enkele misstap meer kon veroorloven, maakt dat voldoende aannemelijk is geworden dat Stroomopwaarts thans het vertrouwen in werkneemster volledig heeft verloren en dat sprake is van een zodanig verstoorde verhouding dat van Stroomopwaarts redelijkerwijs niet langer gevergd kan worden werkneemster in dienst te houden. Omdat werkneemster tot op de dag van de zitting er blijk van heeft gegeven niet te begrijpen wat zij fout doet, valt te verwachten dat bij herplaatsing elders in de organisatie opnieuw problemen in de integriteitssfeer zullen ontstaan. Herplaatsing ligt daarom niet in de rede. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden (per 1 december 2021) en aan werkneemster een transitievergoeding moet worden betaald ter hoogte van € 3.770,85 bruto.