Naar boven ↑

Rechtspraak

verzoekster/verweerder
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 14 januari 2022
ECLI:NL:RBGEL:2022:463
Is er na jarenlange betalingen aan voormalig medeaandeelhouder en tevens echtgenote van de oprichter van een familiebedrijf sprake van een arbeidsovereenkomst? Die vraag wordt ontkennend beantwoord, nu tussen partijen geen sprake is geweest van een gezagsverhouding.

Feiten

Mevrouw X, echtgenote van de oprichter van de in 1995 gestarte onderneming die polyetherschuim snijdt en bewerkt ten behoeve van de productie van kussens en matrassen voor de meubelindustrie (hierna: Y), stelt dat zij met ingang van 1 juni 2001 werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. In 2000 is de onderneming ingebracht in een werkmaatschappij, waarbij de aandelen werden gehouden door Beheer B.V. in de verhouding: 54% oprichter en 46% X. In januari 2017 heeft er een aandelenoverdracht plaatsgevonden. Vanaf dat moment bezit de oprichter 51% en beide zoons samen 49% van de aandelen. In de loop van 2017 verslechteren de verhoudingen tussen de oprichter, gesteund door zijn vrouw X, en de twee zoons. Er ontstond onenigheid over de zeggenschap binnen Beheer B.V. en de bedrijfsvoering binnen de werkmaatschappij. Na een ruzie hebben de zoons het bedrijfsgebouw ontoegankelijk gemaakt voor vader en moeder. De Ondernemingskamer heeft bij beschikking van 27 oktober 2020 vastgesteld dat er sprake is van wanbeleid van Beheer B.V. en de werkmaatschappij over de periode van 1 januari 2016 tot 3 oktober 2017 en dat de oprichter c.q. vader daarvoor aansprakelijk is. De oprichter is vervolgens ontslagen als bestuurder. Voor de duur van drie jaar is een tijdelijke bestuurder aangesteld. X heeft in het verleden werkzaamheden verricht in het naaiatelier van Y. Zij overlegt een getekende overeenkomst ‘addendum arbeidsovereenkomst’ waarin wordt vermeld dat partijen met ingang van 1 juni 2000 een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan. Vanaf het moment dat X de toegang tot het bedrijf is ontzegd heeft zij geen werkzaamheden meer verricht, maar ontvangt zij maandelijks nog wel een bedrag van € 5.000 bruto. De tijdelijke bestuurder heeft de maandelijkse betalingen aan X per oktober 2021 beëindigd. De vraag die in de onderhavige procedure voorligt, is of de (tot oktober 2021) nog steeds voortgeduurd hebbende betalingen van € 5.000 bruto aan X hebben plaatsgevonden uit hoofde van een arbeidsovereenkomst en als dat zo is, of deze door Y, al dan niet rechtsgeldig, is opgezegd.

Oordeel

De kantonrechter stelt vast dat (a) niet in geschil is dat Y jarenlang maandelijkse salarisbetalingen aan X heeft verricht met – gelet op het overgelegde addendum – de kennelijke bedoeling dat dit op grond van een arbeidsovereenkomst gebeurde en (b) dat niet in geschil is dat X vanaf de oprichting tot in elk geval 2012 in het naaiatelier van Y heeft gewerkt. Daarmee is voldaan aan twee kenmerken van artikel 7:610 BW: het verrichten van arbeid tegen loon. Vervolgens concludeert de kantonrechter aan de hand van het arrest HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746 (X/Gemeente Amsterdam) dat het bij de kwalificatie van de overeenkomst niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Het gaat erom of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijk omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Dat partijen de tussen hen gemaakte overeenkomst benoemen als arbeidsovereenkomst is derhalve niet doorslaggevend. Wel doorslaggevend is of er feitelijk sprake was van een gezagsverhouding en dat is naar het oordeel van de kantonrechter op grond van de feiten en omstandigheden onvoldoende aannemelijk geworden. X had als medeaandeelhouder (indirect) financieel belang bij Y. Volgens X was Y haar ‘vierde kindje’. Voorts is zij de echtgenote van de oprichter. Dit wijst niet richting een gezagsverhouding. Daarbij komt dat X het verweer van Y, dat zij vanaf 2012 nauwelijks nog werkzaamheden heeft verricht, vaak langdurig in het buitenland verbleef en haar werktijden en vakanties naar eigen inzicht invulde, niet voldoende onderbouwd heeft weerlegd, terwijl dit zich ook moeilijk verhoudt met een gezagsverhouding. Op grond van het voorgaande is geen sprake geweest van een arbeidsovereenkomst. De verzoeken van X worden afgewezen.