Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 28 januari 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:388
Feiten
Werknemer kampt met gezondheidsproblemen en geeft aan afscheid te willen nemen. Het dienstverband wordt met wederzijds goedvinden beëindigd. Werknemer meldt zich daarna alsnog ziek bij het UWV, waardoor de vraag aan de orde is of werkgeefster haar verplichtingen als eigenrisicodrager dient na te komen. In zijn tussenbeschikking van 4 november 2021 heeft de kantonrechter de datum van het einde van het dienstverband vastgesteld op 17 juni 2020 en is een nieuwe mondelinge behandeling bepaald, omdat nog onduidelijk was of de schriftelijke mededeling van de medewerker van het UWV van 2 juli 2020 wel of niet kan worden gelijkgesteld met een ziekmelding binnen vier weken na de datum waarop het dienstverband is geëindigd.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Er is sprake van een onderscheid tussen de kennis die de werkgeefster heeft van het eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet en de kennis daarvan bij werknemers. Zo stelt de kantonrechter dat werknemers doorgaans niet bekend zijn met het feit dat de werkgeefster eigenrisicodrager is en dat de werknemer, wanneer hij binnen een periode van vier weken na het einde van het dienstverband ziek wordt, zich bij voormalig werkgeefster dient ziek te melden. Werkgeefster dient de werknemer bij uitdiensttreding daarop te wijzen. Naast de mededeling van de medewerker van het UWV is de werkgeefster bij de opzegging door werknemer op de hoogte gesteld van het feit dat hij voorafgaand aan het dienstverband endeldarmkanker heeft gehad. Ook van belang is dat werkgeefster beschikte over een LKV-besluit. Uit het besluit blijkt weliswaar niet op welke grond dit gegeven is en of er sprake is van een medische reden voor het besluit, maar het is volgens het oordeel van de kantonrechter wel een reden voor de werkgeefster om extra alert te zijn, zeker wanneer ook andere omstandigheden, zoals de endeldarmoperatie, bekend zijn. Tevens oordeelt de kantonrechter dat de inhoud van de mededeling van de UWV-medewerker, dient te worden gelijkgesteld met een ziekmelding en dat werkgeefster vanaf 2 juli 2020 verplicht was een ziektewetuitkering te betalen aan werknemer. Voor de omvang van die verplichting is volgens de kantonrechter van belang dat deze wordt geacht te zijn ontstaan op het moment van de ziekmelding, te weten vanaf 2 juli 2020 tot aan 8 september 2020, omdat werknemer vanaf die datum – dat wil zeggen de datum dat de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd indien geen sprake was geweest van tussentijdse beëindiging – een Ziektewetuitkering heeft ontvangen en dus geen inkomensderving heeft. Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van het netto-equivalent van € 971,64 per maand over de periode van 2 juli 2020 tot en met 8 september 2020, te verhogen met de wettelijke rente.