Naar boven ↑

Rechtspraak

Itsme B.V./Stichting Pensioenfonds voor de Nederlandse Groothandel
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 19 oktober 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:15661
Opzegging pensioenuitvoeringsovereenkomst. Werkgever mocht in de gegeven omstandigheden niet redelijkerwijs verwachten dat alle tijdens de looptijd van de uitvoeringsovereenkomst ziek geworden werknemers recht behouden op premievrije pensioenopbouw na afloop van de wachttijd.

Feiten

Stichting Pensioenfonds voor de Nederlandse Groothandel (hierna: SPNG) is een niet verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds voor de bedrijfstak groothandel. Itsme B.V. heeft de uitvoering van de met haar werknemers gesloten pensioenovereenkomsten ondergebracht bij SPNG. Hiertoe is telkens een uitvoeringsovereenkomst tussen partijen gesloten. Partijen zijn daarbij gebonden aan het Uitvoeringsreglement 2013 en het Pensioenreglement 2013. Itsme heeft de met SPNG gesloten uitvoeringsovereenkomst in oktober 2020 met ingang van 1 januari 2021 opgezegd. SPNG heeft de opzegging schriftelijk bevestigd en aan Itsme laten weten dat per 31 december 2020 de risicoverzekeringen voor overlijden en risicoverzekeringen voor arbeidsongeschiktheid (over de verstreken en toekomstige diensttijd) zijn beëindigd. Dit betekent volgens SPNG dat de werknemers (en hun na te laten betrekkingen) vanaf die datum niet meer verzekerd zijn bij SPNG voor de financiële gevolgen van overlijden en arbeidsongeschiktheid. Tussen partijen is in de onderhavige procedure kort gezegd in geschil of de werknemers van Itsme die vóór 1 januari 2021 arbeidsongeschikt zijn geworden, maar nog geen WIA-uitkering ontvingen, recht hebben op premievrije pensioenopbouw bij SPNG vanaf het moment dat zij wel (namelijk: na de wachttijd van twee jaren) een uitkering zullen ontvangen.

Oordeel

De kantonrechter volgt Itsme niet in haar standpunt dat de enige voorwaarde voor deelname aan de premievrije pensioenregeling is dat de werknemer ziek wordt tijdens de looptijd van de uitvoeringsovereenkomst. In artikel 21 Pensioenreglement 2013 is immers duidelijk vermeld dat voor het recht op premievrije deelname bij arbeidsongeschiktheid niet alleen vereist is dat de deelnemer (werknemer) arbeidsongeschikt is geworden tijdens de looptijd van de uitvoeringsovereenkomst, maar ook dat de deelnemer een WIA-uitkering ontvangt. Pas op dat moment treedt het aan SPNG overgedragen risico op. De kantonrechter overweegt verder dat in gevallen als het voorliggende, waarin een verzekerd risico wordt bepaald aan de hand van twee (onzekere) gebeurtenissen, die niet in tijd samenvallen, sprake is van een zogenoemd inloop- en uitlooprisico. Omdat de verzekerde premie betaalt over de periode dat de verzekering(sovereenkomst) voortduurt, maar een van de twee (cumulatieve) voorwaarden voor het intreden van het verzekerde risico zich voor of na de looptijd van de verzekering kunnen voordoen, dient te worden bepaald of ofwel het inlooprisico ofwel het uitlooprisico is verzekerd. Voor zover niet anders is overeengekomen kan geen sprake zijn van verzekering van zowel het inloop- als het uitlooprisico, omdat in een dergelijke situatie de premiebetaling niet is gelijkgetrokken met de periode waarin het verzekerde risico zich kan voordoen. Itsme stelt dat dit betekent dat tegenover de in 2019 en 2020 door haar betaalde (verzekerings)premies nu geen tegenprestatie staat, terwijl zij dit redelijkerwijs wel mocht verwachten. Het is echter niet gebleken dat partijen zijn overeengekomen dat de werknemers van Itsme die per 1 januari 2021 nog in de wachttijd zaten (en dus niet voldeden aan de tweede voorwaarde van artikel 21 Pensioenreglement 2013) alsnog recht hebben op premievrije pensioenopbouw. Daarentegen heeft SPNG ter zitting gesteld, onder verwijzing naar artikel 21 lid 1 Pensioenreglement 2013, dat de werknemers die al arbeidsongeschikt waren bij aanvang van de uitvoeringsovereenkomst, verzekerd waren van premievrije pensioenopbouw. Dit betekent dat het inlooprisico verzekerd is en dat de tegenprestatie hiermee gegeven is, aldus SPNG. Itsme heeft onvoldoende naar voren gebracht om dit te betwisten, zodat de kantonrechter dit standpunt van SPNG volgt. Itsme heeft nog gesteld dat zij erop mocht vertrouwen dat SPNG de tijdens de looptijd van de uitvoeringsovereenkomst ziek geworden werknemers gelijk zou behandelen. Dat is op zichzelf juist. Itsme miskent hierbij alleen dat wel aan beide voorwaarden voor het recht op premievrije voortzetting moet zijn voldaan.
De conclusie van het voorgaande is dat Itsme in de gegeven omstandigheden niet redelijkerwijs mocht verwachten dat álle tijdens de looptijd van de onderhavige uitvoeringsovereenkomst ziek geworden werknemers recht op premievrije pensioenopbouw behouden na afloop van de wachttijd. Het beroep van Itsme op artikel 6:248 lid 1 en lid 2 BW slaagt evenmin. De vorderingen van Itsme worden afgewezen.