Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 17 januari 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:1170
Feiten
Werknemer is in dienst bij de gemeente Krimpenerwaard (hierna: de gemeente). Sinds enige tijd worden de werkzaamheden van werknemer gemonitord door een andere medewerker (hierna: X) van de gemeente. Op 11 oktober 2021 heeft een assessment plaatsgevonden. In het rapport daarvan zijn competenties benoemd van werknemer die minder ontwikkeld zijn. Op 2 december 2021 heeft de heer A van de gemeente werknemer opgedragen zijn werk neer te leggen en is aan hem buitengewoon verlof verleend. Nadat werknemer te kennen had gegeven dat hij geen behoefte had aan buitengewoon verlof, heeft de gemeente werknemer op 8 december 2021 bericht dat hij wordt geschorst. Bij verzoekschrift van 7 januari 2022 heeft de gemeente de kantonrechter van deze rechtbank verzocht de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden. Werknemer vordert in deze procedure, zakelijk weergegeven, wedertewerkstelling, binnen 12 uur en zonder enige beperking. Het gaat in deze zaak over de vraag of de schorsing van werknemer, vooruitlopend op de uitkomst van de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter, toelaatbaar is.
Oordeel
De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij alleen oordeelt over de schorsing en of daar voldoende grond voor bestaat. Hoe kansrijk het verzoek van de gemeente is tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van werknemer, blijft bij deze beoordeling buiten beschouwing. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door de gemeente aangevoerde gronden, op zichzelf en gezamenlijk, onvoldoende zwaarwegend zijn om de schorsing te rechtvaardigen. De voorzieningenrechter heeft niet de overtuiging gekregen dat de begeleiding van werknemer door X méér inhoudt dan monitoren/inventariseren, de vinger aan de pols houden en waar nodig enigszins bij te sturen. Die begeleiding is niet dusdanig intensief dat van de gemeente niet gevergd kan worden dat zij dat voorlopig voortzet. Over het draagvlak onder collega’s voor een terugkeer van werknemer op de werkvloer verschillen partijen van mening en de voorzieningenrechter kan dan ook niet zonder meer uitgaan van het standpunt van de gemeente dat directe collega’s van werknemer zich tegen een terugkeer verzetten. Werknemer heeft juist aangevoerd dat hij – in vertrouwen – steunbetuigingen van collega’s ontvangt. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat thuiswerken ook bij de gemeente de norm is geworden. De gemeente heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat mogelijke problemen in de onderlinge verhoudingen juist door het thuiswerken complexer zijn geworden. Voor wat betreft mogelijke “ongelukken” die zich bij voortzetting van de werkzaamheden door werknemer kunnen voordoen, geldt het volgende. Uit het dossier blijkt dat er in het verleden bij tijd en wijle discussie is geweest over doorlooptijden en dat werknemer daarbij steken heeft laten vallen. De voorzieningenrechter heeft echter niet de indruk gekregen dat er sprake is van een fundamenteel probleem en te minder dat sprake is van een probleem dat met de monitoring van X, die in de gaten houdt wat werknemer onder handen heeft, niet onder controle te houden is. De conclusie is dat een situatie waarin van de werkgever naar maatstaven van goed werkgeverschap niet verlangd kan worden dat deze de werknemer in staat stelt werk te verrichten, zich hier niet voordoet. De vordering komt dus voor toewijzing in aanmerking. Daarbij geldt de kanttekening dat werknemer zich zal moeten conformeren aan aanwijzingen van de gemeente, in het traject met X of een ander, en daaraan strikt opvolging zal moeten geven. Om die reden zullen de woorden “zonder enige beperking”, zoals geformuleerd in het petitum, niet worden overgenomen in het dictum. De gemeente moet in staat worden gesteld om het traject voort te zetten waarbij de werkzaamheden van werknemer worden gemonitord.