Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 14 februari 2022
ECLI:NL:RBOBR:2022:438
Werknemer vordert in kort geding afschrift van bescheiden van oud-werkgever in verband met in te stellen loonvordering. Vordering wordt afgewezen omdat gestelde tekortkoming in nakoming verplichtingen arbeidsovereenkomst onvoldoende aannemelijk is gemaakt.

Feiten

Werknemer heeft van 1 november 2012 tot en met 30 september 2015 voor werkgever gewerkt. In de arbeidsovereenkomst staat onder meer: “Op deze arbeidsovereenkomst is geen Collectieve Arbeidsovereenkomst van toepassing”. De cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de cao) is onder meer algemeen verbindend verklaard van 12 februari 2015 tot en met 31 december 2016. In een geschil tussen FNV en werkgever heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat de onderneming van werkgever onder de werkingssfeer valt van de cao en werkgever veroordeeld tot naleving van de cao met terugwerkende kracht tot 1 september 2017. Werknemer heeft werkgever op 15 januari 2015 in kort geding gedagvaard en betaling van onder meer achterstallig loon, overuren en onkosten gevorderd. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Zij oordeelde dat werknemer de verschuldigdheid van de door hem gevorderde bedragen onvoldoende aannemelijk had gemaakt. Werknemer vordert dat de kantonrechter werkgever veroordeelt afschriften te verschaffen.

Oordeel

Werknemer stelt de gevorderde afschriften nodig te hebben om zijn stellingen c.q. vorderingen te kunnen onderbouwen en te bewijzen, als ook de door hem te vorderen bedragen correct te kunnen berekenen. De kantonrechter overweegt dat werknemer onvoldoende onderbouwing heeft gegeven om het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet voldoende aannemelijk te maken. Anders dan werknemer lijkt te vooronderstellen is immers de bedoelde rechtsbetrekking niet de arbeidsovereenkomst tussen partijen, maar het gestelde tekortschieten in het nakomen van betalingsverplichtingen die uit die arbeidsovereenkomst volgens werknemer voor werkgever voortvloeien. Ook als wordt aangenomen dat de cao op de arbeidsovereenkomst van toepassing is, heeft werknemer ook in deze procedure niet gesteld waarom hij aanspraak heeft op betaling van achterstallig loon, onkostenvergoeding en overuren. Er is niets, althans onvoldoende gesteld over wat werkgever werknemer heeft betaald en wat werkgever – volgens werknemer – op grond van de arbeidsovereenkomst en de cao aan hem had moeten betalen in de periode ten aanzien waarvan werknemer wel beschikt over de salarisstroken en maandstaten. De kantonrechter vindt dat dit wel van werknemer had mogen worden verwacht. Nu werknemer het bestaan van de gestelde rechtsbetrekking tussen hem en werkgever onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt zal de kantonrechter de vorderingen van werknemer afwijzen.