Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 21 december 2021
ECLI:NL:GHDHA:2021:2649
Feiten
Werkneemster is sinds 1 september 2005 bij EUR werkzaam. In maart 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden over de samenwerking. Op 25 april 2016 heeft zich op de EUR een incident voorgedaan, waarbij werkneemster enkele uren in haar werkkamer opgesloten heeft gezeten met een psychotische student die bedreigingen naar haar heeft geuit. Op 29 april 2016 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Zij is nadien weer aan het werk gegaan maar in september 2016 is zij uitgevallen wegens ziekte. Na diverse periodes van arbeidsongeschiktheid en re-integratie heeft in april 2018 mediation plaatsgevonden hetgeen niet geleid tot een oplossing. Werkneemster heeft een sabbatical opgenomen, na afloop waarvan zij zich voor haar eerste werkdag weer heeft ziekgemeld. Op 19 september 2019 (en meermaals daarna) heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat werkneemster volledig arbeidsongeschikt was. EUR heeft werkneemster meermaals opgeroepen voor een arbeidsdeskundig onderzoek. Werkneemster is daar niet op ingegaan. Bij besluit van 11 december 2019 heeft EUR over de periode van 1 december 2019 tot 15 januari 2020 een loonstop toegepast, waartegen werkneemster bezwaar heeft ingediend. Vanaf eind april 2020 heeft werkneemster haar (onderzoeks)werkzaamheden vanuit huis kunnen hervatten. Het bezwaar tegen de loonstop is gegrond verklaard. Tussen partijen is discussie ontstaan over de noodzaak van een FML. Deze is uiteindelijk alsnog gedaan. EUR heeft verder aangegeven in gesprek te willen gaan over ervaren samenwerkingsproblemen en vertrouwenskwesties. Werkneemster heeft laten weten niet naar het gesprek te komen. EUR heeft werkneemster met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld. Werkneemster heeft een deskundigenoordeel aangevraagd, waaruit is gebleken dat er geen sprake meer is van beperkingen. EUR verzoekt ontbinding. De kantonrechter heeft het verzoek toegewezen. Aan werkneemster is een billijke vergoeding toegewezen, omdat de EUR ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Werkneemster verzoekt in hoger beroep werkhervatting en betaling van loon vanaf 1 mei 2021.
Oordeel
Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Omstreeks medio 2015, begin 2016 was al sprake van samenwerkingsproblemen. De feiten en omstandigheden in de periode van arbeidsongeschiktheid van werkneemster rechtvaardigen de conclusie dat de arbeidsverhouding (nog erger) verstoord is geraakt. Het opzegverbod wegens ziekte acht het hof niet van toepassing. Zelfs indien moet worden aangenomen dat werkneemster een beroep kan doen op het opzegverbod tijdens ziekte geldt dat het ontbindingsverzoek naar het oordeel van het hof geen, althans onvoldoende, verband houdt met de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft.
Billijke vergoeding
Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid van EUR. Het hof is van oordeel dat EUR voldoende begrip heeft getoond voor de gestelde PTSS-klachten van werkneemster, tot twee keer toe aan mediation heeft meegewerkt en zich telkens heeft ingespannen om aan haar re-integratieverplichtingen te voldoen, naar aanleiding van adviezen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige. Het hof ziet ook in de stellingen van werkneemster geen concrete aanknopingspunten hoe en in welke mate EUR nog meer begrip had moeten tonen. Naar het oordeel van het hof is ook het verwijt dat EUR er juist alles aan gedaan zou hebben om de volledige re-integratie van werkneemster te voorkomen niet terecht. EUR kan geen verwijt worden gemaakt dat zij de arbeidsdeskundige rapportage heeft willen afwachten. Ook acht het hof niet verwijtbaar dat EUR met werkneemster een startgesprek wilde hebben. Aan werkneemster wordt geen billijke vergoeding toegekend.