Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 9 februari 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:504
Feiten
Werknemer heeft enige tijd werkzaamheden verricht voor werkgever via een uitzendbureau. Op 12 oktober 2020 hebben partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten, op grond waarvan werknemer vanaf 11 november 2020 bij werkgever in dienst is geweest als projectleider voor 40 uur per week. Werkgever en werknemer hebben op 20 oktober 2020 een geldleningsovereenkomst voor een bedrag van € 3.000 gesloten, voor de borg en twee maanden huur van de woning van werknemer. Op 8 december 2020 heeft werkgever de arbeidsovereenkomst met werknemer beëindigd tijdens de proeftijd. Werkgever heeft in december 2020 een gedeeltelijke eindafrekening opgemaakt, waarin het nog toekomende loon, vakantiegeld en niet genoten vakantiesaldo is verrekend met openstaande verkeersboetes en studiekosten. Werkgever heeft werknemer bij brief van 4 februari 2021 verzocht om op basis van de volledige eindafrekening een bedrag van € 11.530,54 te betalen, voor door hem afgenomen maar niet betaalde installatiematerialen en de openstaande lening. Werkgever heeft daarbij bewijsstukken gevoegd, waaronder vijf facturen voor materialen. Daarna hebben de gemachtigden van partijen hierover gecorrespondeerd. Werknemer heeft het door werkgever gevorderde bedrag niet betaald. Werkgever vordert veroordeling van werknemer tot betaling van € 3.060 uit hoofde van de geldleningsovereenkomst en € 8.530,54 voor openstaande facturen. In het verstekvonnis is de vordering van werkgever toegewezen. Werknemer vordert in verzet hem te ontheffen van de veroordeling in het verstekvonnis. Werknemer vordert primair de vorderingen van werkgever af te wijzen, werkgever te veroordelen tot betaling aan werknemer van € 90,75 voor onterecht ingehouden studiekosten. Werknemer vordert subsidiair daarop € 881,98 voor de aan hem toekomende transitievergoeding in mindering te brengen.
Oordeel
Geldlening
Werknemer erkent dat hij een bedrag van € 3.000 van werkgever heeft ontvangen, maar stelt dat dit een gift was voor de borgsom en de huur van zijn woning, die hij heeft gehuurd om dichter bij het werk te kunnen wonen. De kantonrechter overweegt hierover dat de schriftelijke geldleningsovereenkomst een onderhandse akte is, die dwingend bewijs oplevert van wat tussen partijen is afgesproken. Nu werknemer stelt dat het niet de bedoeling van partijen was om een geldleningsovereenkomst te sluiten en dat sprake was van een gift, ligt het op de weg van werknemer dit te bewijzen. Werknemer heeft zijn stelling echter op geen enkele wijze onderbouwd en is ook niet op de zitting verschenen om zijn stelling toe te lichten en eventueel een bewijsaanbod te doen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat werknemer onvoldoende heeft gesteld om te kunnen aannemen dat werkgever bij het sluiten van de geldleningsovereenkomst het geldbedrag van € 3.000 aan werknemer als gift heeft bedoeld. De toewijzing in het verstekvonnis van de vordering tot veroordeling van werknemer tot het voldoen van € 3.060 wordt daarom bekrachtigd.
Facturen bestelde materialen
Werknemer voert als bevrijdend verweer dat hij de facturen al contant heeft betaald. De bestelling van materialen was voor privédoeleinden en dat vond in die situatie pas plaats nadat de materialen via de bedrijfsleider waren betaald. Werknemer heeft voor deze werkwijze verwezen naar een verklaring van een directe collega en een bewijsaanbod gedaan door het horen van getuigen. De kantonrechter overweegt hierover dat het aan werknemer is aan te tonen dat hij de geleverde materialen al heeft betaald. Werknemer is daarin niet geslaagd. Uit de door hem overgelegde verklaring blijkt dat een tekenaar airco’s heeft besteld en daarvoor cash heeft betaald aan de bedrijfsleider, maar niet dat het de vaste werkwijze binnen werkgever is om vóór de bestelling van materialen voor privédoeleinden eerst (contant) te betalen aan de bedrijfsleider. Nu werkgever heeft betwist dat werknemer voor de geleverde materialen al heeft betaald en werknemer niet heeft onderbouwd dat hij hiervoor al heeft betaald, slaagt zijn verweer tegen de vordering tot betaling van de openstaande facturen voor bestelde materialen, niet.
Ingehouden studiekosten
Deze kosten zijn door werkgever betaald voor een verplicht VCA-examen, waarvan het onredelijk is dat deze kosten voor rekening van werknemer komen. Werkgever heeft tijdens de zitting erkend dat deze kosten voor een VCA-diploma zijn ingehouden, maar stelt dat deze kosten in dit geval voor rekening van werknemer moeten komen. Werkgever heeft daarbij toegelicht dat hij de arbeidsovereenkomst vanwege verwijtbaar handelen van werknemer heeft beëindigd en dat werknemer weggenomen materialen heeft doorverkocht. Werknemer heeft dit niet weersproken. De kantonrechter overweegt hierover dat de kosten voor een verplicht examen van de werknemer in beginsel voor rekening van de werkgever moeten komen. Op grond van het tijdens de zitting door werkgever geschetste handelen van werknemer acht de kantonrechter het echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als werkgever de kosten voor het VCA-examen moet dragen. Werkgever mocht deze kosten daarom in dit geval inhouden op de eindafrekening. De tegenvordering van werknemer tot terugbetaling van de ingehouden studiekosten, slaagt niet.
Transitievergoeding
Werknemer stelt onder verwijzing naar de arresten van het Hof Amsterdam van 6 november 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:4160) en de HR van 14 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2305) dat artikel 7:686a BW over de vervaltermijn niet in de weg staat aan zijn aanspraak op een transitievergoeding. De kantonrechter stelt vast dat het verzoek van werknemer om een transitievergoeding met een verzetdagvaarding in plaats van met een verzoekschrift is gedaan, dat geruime tijd na afloop van de vervaltermijn van drie maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst is ingediend. Daarnaast heeft werknemer niet gemotiveerd waarom uit de door hem genoemde jurisprudentie volgt dat hij – na de vervaltermijn – nog aanspraak kan maken op een transitievergoeding. Het verzoek om de transitievergoeding met de in het verstekvonnis toegewezen vorderingen van werkgever te verrekenen, wordt daarom afgewezen.