Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 11 februari 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:2902
Feiten
Werknemer is sinds 8 maart 2021 bij (de rechtsvoorganger) van Ryberg B.V. (hierna: Ryberg) in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zeven maanden overeengekomen met een salaris van € 4.600 bruto per maand exclusief vakantietoeslag met een arbeidsomvang van 40 uur per week. De arbeidsovereenkomst zou eindigen op 8 oktober 2021. Ryberg is een bedrijf met activiteiten op het gebied van desinfectierobots. Omdat potentiële klanten zich onder meer in de Verenigde Arabische Emiraten bevinden, vinden met regelmaat besprekingen plaats in Dubai (VAE). Tijdens een verblijf in Dubai is werknemer op 2 juni 2021 op non-actief gesteld, onder meer omdat hij zich meerdere keren verslapen zou hebben voor zakelijke besprekingen en omdat hij zich in het bijzijn van klanten onheus zou hebben uitgelaten over Ryberg. Op 5 juni 2021 is werknemer teruggekeerd naar Nederland. In verband met zijn op non-actiefstelling werd werknemer verzocht zich op 16 juni 2021 bij Ryberg in Delft te melden. Op 14 juni 2021 meldde hij zich echter ziek. Op 23 juni 2021 had werknemer een consult bij de bedrijfsarts. De bedrijfsarts oordeelde dat werknemer ziek was met medische beperkingen en dat hij uiterlijk 12 juli 2021 hersteld gemeld kon worden. De bedrijfsarts constateerde dat ook sprake was van werkgerelateerde knelpunten. Zij adviseerde daarover met elkaar in gesprek te gaan en dat daarbij bemiddeling overwogen kon worden. Er vindt overleg tussen partijen plaats zonder dat dit tot een resultaat leidt. Werknemer wordt opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden. Werknemer heeft aan dat verzoek gevolg gegeven, maar het feit dat hij zijn laptop niet had meegenomen leidde ertoe dat over en weer de irritaties zodanig hoog zijn opgelopen dat Ryberg werknemer op 28 juli 2021 op staande voet heeft ontslagen. De irritaties aan de zijde van Ryberg staan ook uitgebreid beschreven in de ontslagbevestigingsbrief van 29 juli 2022. Als ontslaggrond voert Ryberg in deze brief uiteindelijk aan insubordinatie, verwijtbaar handelen en nalaten aan de zijde van werknemer, met een verstoorde arbeidsverhouding als gevolg. Werknemer verzoekt betaling van achterstallig loon ad € 6.490,45, de gefixeerde schadevergoeding ad € 5.609,03, de transitievergoeding ad € 970,54 en een billijke vergoeding ad € 10.000.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Ryberg is eraan voorbijgegaan dat 23 juli 2021 de eerste werkdag was na de arbeidsongeschiktheid van werknemer en de periode tussen 13 en 26 juli 2021, waarin de raadslieden van beide partijen in overleg waren over een vertrekregeling. Daarbij is van belang dat de bedrijfsarts had geadviseerd om eerst in gesprek te gaan over de werkgerelateerde knelpunten, mogelijk gevolgd door bemiddeling. De kantonrechter komt tot het oordeel dat Ryberg onvoldoende de adviezen van de bedrijfsarts heeft opgevolgd door werknemer – zonder eerst het gesprek aan te gaan over de werkgerelateerde knelpunten – op te roepen voor hervatting van zijn werkzaamheden. Zeker na het mislukte traject om tot een regeling te komen had het op de weg van Ryberg gelegen om het initiatief te nemen dat gesprek aan te gaan in plaats van werknemer meteen op te roepen voor werkhervatting. Naar het oordeel van de kantonrechter ligt de oorzaak tot het ontslag wellicht wel in het gedrag van werknemer, maar heeft Ryberg te snel een aanleiding gevonden om werknemer op staande voet te ontslaan. Daarom kan dat ontslag geen stand houden en dient het ontslag in beginsel vernietigd te worden. Herstel van de arbeidsovereenkomst is echter niet aan de orde, ook al omdat de einddatum van de arbeidsovereenkomst inmiddels in het verleden ligt. De vorderingen van werknemer worden toegewezen, waarbij de kantonrechter de billijke vergoeding vaststelt op € 4.400 bruto.