Naar boven ↑

Rechtspraak

Parochie Heilige Theresia Van Avila/werkneemster
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 12 april 2022
ECLI:NL:GHDHA:2022:506
Pastorie mocht een fiscale inhouding doen op het in de vaststellingsovereenkomst afgesproken bedrag voor compensatie van de ontruiming van de dienstwoning.

Feiten

Werkneemster is met ingang van 1 mei 2007 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) de rooms-katholieke Parochie Heilige Theresia van Avila (hierna: de Parochie) in de functie van pastoraal werker. Werkneemster bewoont een woning, die aan de Parochie in eigendom toebehoort. In de arbeidsovereenkomst is onder meer opgenomen, dat werkneemster bij einde dienstverband de dienstwoning dient te ontruimen. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is door de Parochie opgezegd tegen 1 mei 2017, waarbij aan werkneemster een transitievergoeding is betaald. Bij beschikking van 7 december 2017 is de Parochie veroordeeld aan werkneemster een billijke vergoeding te betalen. Tegen deze beschikking heeft de Parochie hoger beroep ingesteld. Tijdens deze procedure hebben partijen een schikking getroffen die is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 13 februari 2019. Daarin is onder meer bepaald dat er aan werkneemster een vergoeding van € 37.705,46 wordt betaald ter compensatie van het verlaten van de pastorie, door haar te maken verhuis- en inrichtingskosten en toekomstige huurlasten. Partijen hebben in artikel 13 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen dat deze vergoeding netto wordt uitbetaald als dat volgens de fiscale regels kan en deze wijze van betalen niet kostenverhogend is voor werkgever. De Parochie heeft het bedrag van € 37.705,46 niet netto, maar onder inhouding van belastingen (loonheffing) aan werkneemster betaald. Werkneemster vordert betaling van het ingehouden bedrag. Bij vonnis van 16 juli 2020 heeft de kantonrechter deze vorderingen toegewezen. De Parochie vordert onder meer in hoger beroep dat het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd.

Oordeel

De vraag is waartoe artikel 13 de Parochie verplicht. Daartoe dient deze bepaling te worden uitgelegd volgens het Haviltex-criterium. Artikel 13 is zo opgeschreven dat er twee vereisten zijn om tot een netto-uitkering te komen: (1) “Indien en voor zover een dergelijke vergoeding met inachtneming van de geldende juridische en fiscale wet- en regelgeving zonder inhoudingen en afdrachten kan worden gedaan aan werkneemster” en (2) dit “voor de Parochie niet tot aanvullende kosten of heffingen zal leiden”. Als aan deze vereisten niet is voldaan is de Parochie dus niet gehouden netto te betalen, anders gezegd: dan was zij gerechtigd op het bedrag een inhouding te doen ter zake van belastingen. De formulering van deze vereisten duidt erop dat het op de weg ligt van werkneemster om aan te tonen dat daaraan is voldaan. Als zij dit niet aantoont, is de Parochie niet gehouden het bedrag netto aan werkneemster uit te betalen. Het hof dient in deze zaak te beoordelen of is voldaan aan de vereisten om netto uit te keren. Daartoe moet een inschatting worden gedaan van hoe (uiteindelijk) de belastingrechter zou oordelen over de inhoudingsplicht van de Parochie. Werkneemster, die zelf geen adviezen heeft overgelegd, heeft de op dit punt de door de Parochie ingewonnen – en naar mag worden aangenomen – deskundige adviezen onvoldoende weerlegd. Anders dan werkneemster betoogt, kan (bijvoorbeeld) bij de inschatting van de fiscale behandeling niet als feit of uitgangspunt worden gehanteerd dat er géén sprake was van een dienstwoning, maar van een oneigenlijke dienstwoning. Ook als in deze civiele procedure zou worden aanvaard dat van een dienstwoning geen sprake was – en de Parochie heeft aangevoerd dat daar wel sprake van was – dan is de belastingrechter niet aan dit oordeel gebonden. Naar het oordeel van het hof had het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op de weg van werkneemster gelegen om – bijvoorbeeld – de Belastingdienst om een standpunt te vragen op basis van de door haar gewenste vraagstelling. Dat is niet gebeurd. Aldus blijft (te) onzeker of is voldaan aan de voorwaarden om netto uit te keren. Dit komt voor risico van werkneemster. Ook als juist is dat de Parochie nog zou kunnen proberen de inhouding van de Belastingdienst terug te krijgen, leidt dat niet tot een ander oordeel. Daartoe zou de Parochie immers aanvullende kosten moeten maken, terwijl die omstandigheid op zichzelf beschouwd – het was een tweede vereiste – aan een nettobetaling in de weg staat. Voor zover werkneemster beoogt te stellen dat de Parochie op oneigenlijke gronden de inhouding heeft gedaan, is dat onvoldoende onderbouwd. De slotsom is dat niet is voldaan aan de voorwaarden om netto uit te keren.