Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 19 april 2022
ECLI:NL:GHDHA:2022:575
Feiten
Werkneemster is sinds 1 november 1990 bij (de rechtsvoorganger van) Federatie Nederlandse Vakbeweging (hierna: FNV) in dienst. Per die datum is aan haar een leaseauto ter beschikking gesteld. Op 8 februari 2006 heeft FNV aan werkneemster een brief gestuurd over harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden en -regelingen bij FNV. Vanaf 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2016 gold bij FNV de “collectieve arbeidsovereenkomst FNV-Organisaties” (hierna: cao 2015-2016). Op 19 september 2016 is het “Onderhandelaarsresultaat Harmonisatie Arbeidsvoorwaarden FNV” bereikt, waarin een hardheidsclausule is opgenomen. Ook is “Autoregeling FNV 2016” tot stand gekomen. In de Binnensbonds (Nieuwsbrief van FNV Personeel) van 21 september 2016 is meegedeeld dat een onderhandelaarsresultaat is bereikt. Verder is vermeld dat informatiebijeenkomsten in het land zullen worden georganiseerd, dat tijdens de bijeenkomsten het resultaat wordt toegelicht en dat daarna iedereen een stem kan uitbrengen. Op 21 september 2017 heeft FNV werkneemster bij brief geïnformeerd over de leaseregeling van FNV en het feit dat zij na de overgangsregeling niet meer in aanmerking komt voor een leaseauto. Werkneemster heeft bij de kantonrechter gevorderd te verklaren voor recht dat FNV door het eenzijdig van toepassing verklaren van de nieuwe autoregeling, onder intrekking van het voor werknemer bedongen recht op gebruik van een leaseauto op basis van een individuele dan wel collectieve arbeidsvoorwaarde, onrechtmatig jegens werknemer handelt en FNV te veroordelen om over te gaan tot het onverminderd van toepassing verklaren van de overeengekomen arbeidsvoorwaarde tot het gebruik van de leaseauto.
Oordeel
Het hof overweegt dat werkneemster niet tijdig heeft gegriefd tegen het oordeel van de kantonrechter dat de auto geen verkapt loon is. Eerst bij pleidooi in hoger beroep stelt werkneemster zich op het standpunt dat er sprake is van een verworven recht. Voor zover deze stellingen als een grief dienen te worden beschouwd is deze vanwege de tweeconclusieregel te laat aangevoerd. Het hof neemt daarom de oordelen van de kantonrechter tot uitgangspunt, dat er van een individuele arbeidsvoorwaarde/verworven recht geen sprake was en dat de aanspraken van werkneemster afhankelijk zijn van de “verschillende autoregelingen of verschillende versies daarvan”. Te beoordelen is of werkneemster is gebonden aan de Autoregeling 2016 en de toepasselijkheid van deze regeling ertoe leidt dat werkneemster geen recht meer heeft op een leaseauto. Het hof verwerpt de stelling van FNV dat de Autoregeling als bijlage van de cao 2015-2016 op de arbeidsovereenkomst tussen partijen van toepassing is geworden. De Autoregeling is pas na afloop van de looptijd van de cao, in september 2016, tot stand gekomen. FNV heeft niet gesteld dat de Autoregeling 2016 toen alsnog is aangemeld. Dat betekent dat werkneemster niet op grond van artikel 9 WCAO is gebonden aan de Autoregeling als zelfstandige cao of als onderdeel daarvan. FNV heeft voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep aangevoerd dat de Autoregeling 2016 ook deel uitmaakt van de zogenaamde CAO FNV 2017-2019 en de CAO FNV 2019-2021 en dat deze cao’s zijn aangemeld in de zin van artikel 4 WLV. Op dit specifieke argument heeft werkneemster nog niet kunnen reageren. Zij zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld als hierna bepaald. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden over de onderwerpen die met de grieven aan de orde zijn gesteld.