Naar boven ↑

Rechtspraak

HJ/Ministerstvo práce a sociálních věcí
Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 mei 2022
ECLI:EU:C:2022:356
Werknemer tevens statutair directeur vennootschap kan niet (onvoorwaardelijk) worden uitgesloten van aanspraak op waarborgfonds Insolventierichtlijn.

Feiten

Verzoeker in het hoofdgeding werkte sinds 2010 op basis van een arbeidsovereenkomst als architect voor de handelsvennootschap AA. In september 2017 is hij gekozen tot voorzitter van de raad van bestuur van die vennootschap. Daartoe heeft hij een overeenkomst met deze vennootschap gesloten waarin was bepaald dat hij voor de uitoefening van die functie geen loonaanspraken kon doen gelden. Vervolgens is in een aanhangsel bij zijn oorspronkelijke arbeidsovereenkomst bepaald dat hij als werknemer recht had op loon. Dat aanhangsel verduidelijkte dat hij sinds oktober 2017 de functie van directeur van AA uitoefende. Aangezien AA in de loop van 2018 insolvent was geworden, heeft verzoeker in het hoofdgeding bij de Úřad práce České republiky – krajská pobočka pro hl. m. Prahu (arbeidsbureau van de Tsjechische Republiek – regionale afdeling voor de hoofdstad Praag, Tsjechië) een verzoek ingediend tot uitbetaling op grond van wet nr. 118/2000 van zijn loon voor de maanden juli tot en met september 2018 (hierna: 'betrokken periode'). Dit verzoek is afgewezen op grond dat verzoeker in het hoofdgeding niet kon worden gekwalificeerd als werknemer in de zin van § 3 onder a van wet nr. 118/2000. Het door verzoeker in het hoofdgeding ingediende bezwaar is door het ministerie van Arbeid en Sociale Zaken afgewezen. Dat was namelijk van oordeel dat verzoeker in het hoofdgeding gedurende de betrokken periode in het kader van zijn functie van voorzitter van de raad van bestuur en die van directeur van AA een en dezelfde activiteit had uitgeoefend, te weten het commerciële beheer van deze vennootschap, en dat hij dus niet kon worden geacht een arbeidsverhouding met deze vennootschap te hebben. 

De verwijzende rechter merkt op dat een tussen een handelsvennootschap en een persoon gesloten arbeidsovereenkomst op grond waarvan deze persoon de functie van lid van het statutaire orgaan van de vennootschap combineert met de functie van directeur van die vennootschap, volgens de nationale rechtspraak inzake cumulatie van functies – die het voorwerp is van een debat tussen de Tsjechische rechterlijke instanties, met name tussen de Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië) en de Ústavní soud (grondwettelijk hof, Tsjechië) – geldig is op grond van het wetboek arbeidsrecht. Een persoon die zich in een dergelijke situatie bevindt, kan echter niet worden aangemerkt als werknemer in de zin van wet nr. 118/2000. Zelfs indien er een arbeidsovereenkomst bestaat, kan een lid van het statutaire orgaan dat de werkzaamheden van de handelsvennootschap beheert, zijn functie immers niet uitoefenen in het kader van een verhouding van ondergeschiktheid, zodat er geen sprake is van een arbeidsverhouding tussen dat lid en die vennootschap. De verwijzende rechter vraagt zich af of artikel 2 lid 2 en artikel 12 onder a en c Richtlijn 2008/94/EG zich tegen dergelijke nationale rechtspraak verzetten.

Oordeel

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. 

Beheerder handelsvennootschap tevens werknemer, kan niet worden uitgesloten van de waarborgregeling op grond van de Insolventierichtlijn

Om te beginnen zij eraan herinnerd dat Richtlijn 2008/94/EG volgens artikel 1 lid 1 ervan van toepassing is op uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voortvloeiende aanspraken van werknemers tegenover werkgevers die in staat van insolventie verkeren in de zin van artikel 2 lid 1 van deze richtlijn. Bovendien voorziet artikel 3 van deze richtlijn in een verplichting tot honorering van de onvervulde aanspraken van werknemers. Werknemers in de zin van Richtlijn 2008/94/EG vallen dan ook binnen de werkingssfeer van deze richtlijn. Hieraan moet worden toegevoegd dat de situaties die volgens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale rechtspraak uitgesloten zijn van het voordeel van wet nr. 118/2000, niet onder de uitzonderingen van artikel 1 lid 2 en 3 van die richtlijn vallen. Ten eerste staat artikel 1 lid 2 Richtlijn 2008/94/EG de lidstaten weliswaar bij wijze van uitzondering toe de aanspraken van bepaalde categorieën werknemers van de werkingssfeer van deze richtlijn uit te sluiten, maar enkel op voorwaarde dat er andere waarborgen bestaan die de belanghebbenden eenzelfde mate van bescherming bieden als deze richtlijn. In casu blijkt echter uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale rechtspraak een dergelijke gelijkwaardige bescherming niet toekent aan personen die lid zijn van het statutaire orgaan van een vennootschap en bovendien op basis van een arbeidsovereenkomst de functie van directeur van die vennootschap uitoefenen. Ten tweede heeft artikel 1 lid 3 Richtlijn 2008/94/EG betrekking op huispersoneel in dienst van een natuurlijke persoon, hetgeen niet het geval is voor de personen waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale rechtspraak betrekking heeft.

Bovendien heeft het Hof reeds geoordeeld dat de definitie van de term 'werknemer', gelet op dat sociale doel van Richtlijn 2008/94/EG en op de bewoordingen van artikel 1 lid 1 ervan, noodzakelijkerwijs betrekking heeft op een arbeidsverhouding die een recht in het leven roept – tegenover de werkgever – om loon voor de verrichte arbeid te verlangen (zie naar analogie HvJ EU 5 november 2014, C-311/13, ECLI:EU:C:2014:2337 (Tümer), punt 44). Het zou aldus in strijd zijn met dat sociale doel dat personen aan wie de nationale regeling in de regel de hoedanigheid van werknemer toekent en die krachtens die regeling tegenover hun werkgever loonaanspraken uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen als bedoeld in artikel 1 lid 1 en artikel 3 eerste alinea van deze richtlijn hebben, de bescherming wordt ontnomen die deze richtlijn in geval van insolventie van de werkgever biedt (zie naar analogie Tümer, punt 45).  Hieruit volgt dat de omstandigheid dat een persoon die de functie van directeur van een handelsvennootschap uitoefent tevens lid is van het statutaire orgaan van die vennootschap, op zich niet toelaat te veronderstellen of uit te sluiten dat er sprake is van een arbeidsverhouding of dat die persoon wordt gekwalificeerd als werknemer in de zin van Richtlijn 2008/94/EG.

Bijgevolg moet artikel 2 lid 2 eerste alinea Richtlijn 2008/94/EG aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak als in het hoofdgeding volgens welke een persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst cumulatief de functie van directeur en die van lid van het statutaire orgaan van een handelsvennootschap uitoefent, niet kan worden gekwalificeerd als werknemer in de zin van die richtlijn. In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat verzoeker in het hoofdgeding cumulatief de functie van directeur en die van voorzitter van de raad van bestuur van AA uitoefende op basis van een met die vennootschap gesloten arbeidsovereenkomst en dat hij uit dien hoofde een bezoldiging ontving. Aangezien een dergelijke arbeidsovereenkomst volgens de verwijzende rechter geldig is op grond van het wetboek arbeidsrecht, is het niet uitgesloten dat verzoeker in het hoofdgeding kan worden beschouwd als werknemer in de zin van artikel 2 lid 2 eerste alinea Richtlijn 2008/94/EG, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan.

Onweerlegbaar rechtsvermoeden van geen arbeidsovereenkomst, is geen passende 'anti-misbruik-regeling'

In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale rechtspraak tot doel heeft te voorkomen dat personen die cumulatief de functie van directeur en die van lid van de raad van bestuur van een handelsvennootschap uitoefenen, de wegens de insolventie van die vennootschap onvervulde loonaanspraken kunnen laten honoreren, aangezien zij gedeeltelijk verantwoordelijk kunnen zijn voor die insolventie. Zij sluit dus aan bij de logica van artikel 12 onder a Richtlijn 2008/94/EG. Deze rechtspraak behelst evenwel een onweerlegbaar vermoeden dat een dergelijke persoon zijn functie niet uitoefent in het kader van een verhouding van ondergeschiktheid, maar in werkelijkheid leidinggeeft aan de handelsvennootschap in kwestie en dat het toekennen van de waarborgen van Richtlijn 2008/94/EG bijgevolg misbruik in de zin van artikel 12 onder a ervan vormt. Een algemeen vermoeden van misbruik dat niet op grond van de kenmerken van ieder afzonderlijk geval kan worden weerlegd, kan echter niet worden aanvaard (zie naar analogie HvJ EG 4 maart 2004, C-334/02, ECLI:EU:C:2004:129 (Commissie/Frankrijk), punt 27, en HvJ EU 25 oktober 2017, C-106/16, ECLI:EU:C:2017:804 (Polbud – Wykonawstwo), punt 64, en de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Grenville Hampshire, C-17/17, ECLI:EU:C:2018:287, punt 65).