Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland, 5 april 2022Feiten
Werknemer is sinds maart 2009 in dienst van Maral Coatings B.V. (hierna: Maral). Vanaf 27 november 2017 is werknemer arbeidsongeschikt. Het UWV heeft na twee jaar ziekte een loonsanctie opgelegd van 52 weken. De loonbetalingsverplichting van Maral is op 27 november 2020 geëindigd. Eind 2019 heeft de bedrijfsarts partijen geadviseerd in gesprek te gaan om te bekijken wat de mogelijkheden zijn (van administratief werk) bij Maral. Werknemer is door Maral vervolgens meermaals uitgenodigd voor een gesprek, maar hij is hier niet op in gegaan, mede omdat hij een hartoperatie moest ondergaan en klachten ondervond. Begin 2020 heeft Maral de loonbetaling aan werknemer opgeschort. De voorzieningenrechter heeft op 18 maart 2020 geoordeeld dat Maral ten onrechte de loondoorbetaling heeft opgeschort en de loondoorbetaling zal moeten hervatten. Werknemer heeft de brutobedragen uit het kortgedingvonnis geëxecuteerd en daarvoor beslag laten leggen op de bankrekening van Maral. Maral heeft zich hiertegen verzet, maar werknemer heeft de executie doorgezet. Maral heeft medio 2020 aangeboden een mediationtraject op te starten. Werknemer heeft aangegeven dit gezien zijn medische toestand niet verantwoord te vinden en graag een medisch advies van een psycholoog te willen afwachten. Een mediationtraject is niet opgestart. Maral heeft de arbeidsovereenkomst met werknemer met toestemming van het UWV opgezegd per 1 oktober 2021. Werknemer maakt in rechte onder meer aanspraak op de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Maral vordert in reconventie een verklaring voor recht dat werknemer op onrechtmatige wijze het kortgedingvonnis ten uitvoer heeft gelegd, door de loonaanspraak niet netto maar bruto te executeren.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Vergoedingen
Nu Maral arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, is zij werknemer een transitievergoeding verschuldigd. Werknemer heeft deze vergoeding onbetwist berekend op een bedrag van € 14.364,96 bruto. Dit bedrag aan transitievergoeding wordt toegewezen. Werknemer heeft ter onderbouwing van zijn verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding aangevoerd dat Maral ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door zijn re-integratie moedwillig te dwarsbomen, door een verstoorde verstandhouding te veroorzaken en het dienstverband met werknemer na drie jaar slapend te houden. Maral heeft dit betwist. Zij stelt dat zij alle aanwijzingen van de bedrijfsarts heeft opgevolgd en heeft getracht tijdens de ziekteperiode van werknemer met werknemer in verbinding te blijven. Zij heeft daarnaast haar best gedaan om werknemer te laten re-integreren en het advies van de bedrijfsarts opgevolgd toen die mediation voorstelde. Zij stelt dat zij bij werknemer op een muur van onwil, non-communicatie en zelfs onrechtmatig handelen is gestuit. De kantonrechter overweegt dat vaststaat dat de arbeidsovereenkomst inmiddels is opgezegd vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. Aan Maral is een loonsanctie opgelegd vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen in de eerste twee ziektejaren. In het daarop volgende jaar heeft Maral wel geprobeerd om met werknemer in gesprek te komen. Het contact tussen partijen verliep evenwel stroef en moeizaam, waardoor een eerste gesprek tussen partijen om te inventariseren welke mogelijkheden er voor werknemer waren tot het verrichten van passend werk bij Maral nooit heeft plaatsgevonden. Een advies van de bedrijfsarts tot mediation heeft Maral aanvankelijk niet opgevolgd omdat zij eerst gewoon een kop koffie wilde drinken met werknemer, eventueel vergezeld van zijn echtgenote. Hier is werknemer niet op ingegaan. Al met al zijn re-integratieactiviteiten niet van de grond gekomen. Uit de gang van zaken kan de kantonrechter niet afleiden dat dit overwegend aan één partij te verwijten valt, ook al rust op Maral als werkgever een zwaardere verantwoordelijkheid. Naar het oordeel van de kantonrechter kan er – bezien vanuit het perspectief van het gehele re-integratietraject – niet worden geconcludeerd dat Maral ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Werknemer heeft dan ook geen recht op een billijke vergoeding.
Afwikkeling kortgedingvonnis
Werknemer heeft aanspraak gemaakt op betaling van de in het kortgedingvonnis vermelde brutobedragen, terwijl er van nettobedragen uit diende te worden gegaan. Bij de tenuitvoerlegging van het vonnis mocht werknemer slechts het netto-equivalent van de brutobedragen executeren. De kantonrechter is van oordeel dat werknemer door brutobedragen te executeren onrechtmatig jegens Maral heeft gehandeld. Werknemer dient het verschil tussen het bruto- en nettobedrag terug te betalen. Maral heeft onbetwist gesteld dat dit een bedrag van ruim € 7000 betreft. Daarnaast dient werknemer de schade te vergoeden die Maral als gevolg van dit handelen heeft geleden, ter hoogte van € 1.315,60 aan kosten gerechtsdeurwaarder en € 672 aan gemaakte advocaatkosten.